Leo van Heesch
Soms heb je de keus tussen aardig zijn of eerlijk en vervelend, illusies doorprikken, boodschapper zijn van slecht nieuws. De afgelopen maanden vertellen kennissen mij blij dat de dekkingsgraad van hun pensioenfonds weer boven de 100 of de 105 ligt en dat dus de problemen voorbij zijn. Ik vind het beroerd om hun plezier te bederven maar wij zijn er nog lang niet, sterker nog, ik denk het niet meer mee te maken, dat ons pensioen volledig op orde is. Het enige positieve dat er te melden valt is, dat het gevaar van permanente vermindering of afstempeling van de pensioenen niet meer acuut is.
Een snelle blik op een aantal herstelplannen van pensioenenfondsen had mij al tot dat inzicht gebracht. Een verzoek van het programma Kassa aan de NBP om mee te werken aan een uitzending over de herstelplannen van de pensioenfondsen dwong mij om die herstelplannen echt door te rekenen.
Dan dien je een aantal keuzes te maken.
De dekkingsgraden zijn de afgelopen 8 maanden inderdaad veel sterker gestegen, dan in de herstelplannen voorzien. Het is dus reëel om van die sterk verbeterde situatie uit te gaan. De meeste herstelplannen gaan uit van een gemiddelde loonstijging van 3% en een inflatie van 2% dus een reële stijging van 1%. Nu is de reële loonstijging de afgelopen 20 jaar nog geen ½% geweest. Het ligt daarom voor de hand om toch maar uit te gaan van een loonstijging van 2½% in plaats van 3% waar de meeste herstelplannen op rekenen. Dat levert weliswaar wat minder spectaculaire verschillen op, maar is wel dichter bij de waarheid. Wat te doen met de door veel economen verwachte terugval van de economie en de waarschijnlijke conjuncturele dips in de komende 15 jaar. Daarmee rekening houden maakt de uitkomsten wel erg speculatief. Bovendien is het groeitempo van de dekkingsgraden in de herstelplannen aan de voorzichtige kant. Die voorzichtigheid en de kans op dips in de economie streep ik tegen elkaar weg.
Op basis van bovengenoemde vooronderstellingen reken ik het herstelplan van het pensioenfonds “Zorg en Welzijn” (vroeger PGGM) door. Ondanks mijn aanvankelijke pessimisme, schrik ik toch van de uitkomsten. Het duurt 11 jaar voordat de koopkracht van het pensioen weer op peil is en het duurt 16 jaar eer het pensioen weer op het niveau is dat overeenkomt met de verwachtingen die een gepensioneerde ten aanzien van zijn pensioen mag hebben. In die zestien jaar is iemand met een pensioen in 2008 van € 10.000 een bedrag van in totaal € 13.000 tekort gekomen.
De redactie van Kassa reageert positief op deze opzet en vraagt eenzelfde berekening te maken voor een aantal grote pensioenfondsen. Bij de selectie van de pensioenfondsen wordt de keuze bepaald door het aantal deelnemers, slapers (mensen die pensioenrechten hebben maar op dit moment geen premie betalen aan het betreffende pensioenfonds) en gepensioneerden. Op die basis worden geselecteerd: het ABP, Zorg en Welzijn, Metaal en Techniek, BPFbouw, PME (Metalelektro), Horeca en Catering. Voor de aardigheid reken ik ook PNOMedia door, een klein pensioenfonds maar het pensioenfonds van de omroepmedewerkers. Totaal zijn meer dan 8,3 miljoen mensen pensioengerechtigd bij bovengenoemde pensioenfondsen.
De uitkomsten voor sommige pensioenfondsen zijn uitzichtloos. Als beste van de onderzochte fondsen komt BPFbouw er uit, waar binnen 8 jaar de koopkracht van het pensioen weer op peil is en na 16 jaar ook het pensioen weer de loonontwikkelingen volgt. In de tussentijd heeft iemand met een pensioen van € 10.000 wel in totaal € 6.700 te weinig ontvangen. Het slechtste scoort PNOMedia. Een gepensioneerde met een pensioen van € 10.000 komt over 15 jaar per jaar nog € 3.500 te kort en het totale tekort in de loop van die 15 jaar is dan opgelopen tot € 36.000. Ook qua koopkracht heeft die gepensioneerde dan nog een jaarlijks tekort van ruim € 2.400.
Schokkende cijfers die duidelijk maken hoezeer ons mooie pensioenstelsel in de loop van de jaren verkwanseld is aan het gegraai van de werkgevers en het korte termijn denken van de vakbonden.
Tot de jaren ’90 van de vorige eeuw waren de pensioenpremies vrij hoog. De pensioenfondsen belegden in risicomijdende producten met een niet zo hoog rendement. Ondanks dat waren de reserves goed. Te goed, vonden veel werkgevers die enthousiast begonnen te graaien. Alleen de rijksoverheid haalde al meer dan 30 miljard gulden uit het ABP, andere werkgevers lieten zich ook niet onbetuigd. Het waardevaste en welvaartsvaste pensioen dat ABP-pensioengerechtigden hun hele werkzame leven was voorgespiegeld, was inmiddels al lang tussen wal en schip verdwenen. De pensioenfondsen mochten wel in risicovolle producten beleggen. Van jaar tot jaar werden de premies onverantwoord laag vastgesteld. Maar, de beurs zou wel goed maken waar de premies tekort schoten. Dat ging inderdaad goed totdat Nina Brink met de scherpe nagels van haar beide duimen de internetzeepbel doorprikte.
Toen was Leiden in last. Veel pensioenfondsen konden niet meer indexeren, De Nederlandse Bank greep in met zwaardere eisen. De pensioenregelingen werden versoberd. Van het eindloonstelsel gingen veel fondsen over naar het middenloonstelsel en ook het nabestaandenpensioen werd in veel gevallen gehalveerd. De meeste pensioenfondsen waren ten gevolge van deze maatregelen na een jaar of zes weer redelijk opgekrabbeld toen de kredietcrisis een nog groter gat sloeg. Zoals uit de berekeningen blijkt, een niet te verantwoorden aanslag op het vertrouwen dat veel werknemers mochten hebben in hun pensioenregeling.
Degenen die ons pensioenstelsel zo hebben laten versloffen hebben de dure plicht om de zaak weer te repareren. Dat zal voor veel gepensioneerden te laat komen, maar is voor de werkenden van nu absoluut noodzakelijk om hen weer te laten vertrouwen op een fatsoenlijke oudedagsvoorziening.
Leo van Heesch