Prof. Dr. John de Vries
Onverantwoord dat zoiets gemakkelijk beïnvloedbaars als de dekkingsgraad de basis vormt voor het pensioenuitkeringssysteem
Om vast te kunnen stellen, of er een indexatie mag worden gegeven, m.a.w. of en in welke mate de pensioenuitkeringen en de pensioenafspraken mee mogen stijgen met de gemiddelde loonontwikkeling, wordt de dekkingsgraad gehanteerd. De dekkingsgraad is de verhouding tussen het vermogen van een pensioenfonds en de pensioenen die het fonds nu en in de toekomst moet uitbetalen.
Omdat het al of niet laten meestijgen van de pensioenen met de gemiddelde loonstijging van grote invloed is op de koopkracht van de pensioenen, is het van wezenlijk belang welke grootheid als graadmeter voor de indexatie wordt gehanteerd. Die grootheid, i.c. de dekkingsgraad, vormt de basis van het pensioenuitkeringssysteem.
In het geval van het ABP heeft de dekkingsgraad in de jaren 2008 en 2009 zo’n hoge mate van instabiliteit getoond dat het je doet afvragen, of de dekkingsgraad wel een betrouwbare graadmeter is. De dekkingsgraad daalde en steeg sterk binnen periodes van slechts een halfjaar, en was in tegenstelling daarmee gedurende een aantal maanden constant:
- van 132 procent medio 2008 naar 89,5 procent eind 2008;
- van 89 procent eind januari 2009 via een minimum van 83 procent eind februari 2009 naar 98 procent eind juni 2009;
- van 100 procent eind juli 2009 via een plateau van 105 procent gedurende de maanden september, oktober en november 2009 naar 109 procent eind december 2009. Opmerkelijk in dit verband is dat de dekkingsgraad al in de maanden juli en augustus 2009 leek af te buigen naar een plateau. De stijging was in die maanden duidelijk minder sterk dan in de maanden ervoor: van maart tot en met mei 2009 met gemiddeld 4,67% per maand en van juni tot en met september 2009 met gemiddeld slechts 2% per maand (dat doet ‘sturing’ van de dekkingsgraad vermoeden).
Het harlekijnachtige, instabiele gedrag is op zich wel voorstelbaar, gezien de afhankelijkheid van een groot aantal factoren:
- premieopbrengst;
- opbrengsten van beleggingen;
- rente-opbrengsten (dus, indirect van de vigerende rente. Alleen deze factor is maanden nauwelijks gewijzigd);
- totaal aan pensioenuitkeringen;
- totaal aan pensioenafspraken.
Daarnaast kunnen aan deze factoren ook nog gewichtsfactoren zijn toegekend: constanten of variabelen?
Het gedurende drie maanden constant-zijn blijft een raadsel. Omdat ik mij niet kon voorstellen, hoe het ABP na het sterke dalen en stijgen en het gedurende drie maanden constant-zijn van de dekkingsgraad voor het vaststellen van de indexatie 2010 een dekkingsgraad van 105 procent heeft kunnen hanteren, heb ik getracht mij te laten informeren over de wijze waarop de dekkingsgraad wordt vastgesteld, door aan het Bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP de volgende vragen voor te leggen:
- waarom is voor het vaststellen van de indexatie 2010 een lage dekkingsgraad , i.c. 105 procent, gehanteerd, terwijl het pensioenvermogen in de loop van 2009 tot € 210 miljard was gestegen, dus, slechts 4,5 procent onder het maximum van vóór de crisis, € 220 miljard;
- hoe kan de dekkingsgraad gedurende een aantal maanden – september, oktober en november 2009 – constant zijn gebleven op 105 procent?
Het Bestuursbureau ABP heeft mij als volgt geantwoord: “Het constante dekkingsgraad-percentage van 105 betreft een afgerond percentage. Het is het resultaat van de dekkingsgraden die variëren tussen 104,6% en 105,4%.”
Omdat mijn vragen daarmee niet beantwoord waren, heb ik de vragen vervolgens aan De Nederlandsche Bank (DNB) voorgelegd, en er nog aan toegevoegd: “Controleert DNB de pensioenfondsen op het berekenen van de dekkingsgraden, zo niet, welke instantie moet dat dan doen of wordt dat helemaal niet gecontroleerd, en mag, wat DNB betreft, het naar willekeur omgaan met de dekkingsgraden blijven voortduren?” De (heer R. Evers van de) Afdeling Communicatie van DNB heeft mij inmiddels laten weten dat DNB vanwege een geheimhoudingsplicht niet op mijn vragen kan ingaan.
Waarom zouden de gepensioneerden en de toekomstig gepensioneerden (premiebetalers) niet mogen weten, hoe de dekkingsgraad wordt berekend? Zij moeten toch inzage kunnen krijgen in de wijze waarop het inkomen tot stand komt, waarvoor zij jaren premie hebben betaald. Doen de instabiliteit van de dekkingsgraad en het uitblijven van antwoorden van de zijde van ABP en DNB de betrouwbaarheid van de dekkingsgraad als graadmeter al in twijfel trekken, het ‘gedrag’ van de dekkingsgraad in de maanden december 2009 en januari 2010 doet dat nog verder. Eerst leidde een door ABP uitgevoerde herberekening van de dekkingsgraad, waarin rekening werd gehouden met de gestegen levensverwachting (waarom daar niet eerder rekening mee gehouden? Gebrek aan deskundigheid?), ertoe dat de aan het einde van 2009 berekende dekkingsgraad van 109 procent moest worden ‘bijgesteld’ naar 104 procent, om vervolgens eind januari 2010 nog lager uit te komen op 101 procent. Dat betekent over vijf maanden een terugval naar ongeveer het niveau van eind juli 2009: 100 procent. De verleiding is toch niet weer te groot geweest om opnieuw op een risicovolle manier te beleggen, zodat er weer pensioengeld kon verdampen? Of zijn de pensioenfondsen onder druk van de financiële crisis geruisloos aan het overgaan van instanties die als primaire taak hebben het verzorgen van een volwaardig inkomen, i.c. het pensioen, in louter financiële instellingen? Zeer recent nog heeft de heer Wijers van AKZO Nobel er nadrukkelijk voor gepleit een deel van het pensioenkapitaal te gebruiken voor investeringen in de grootindustrie. Dat wekt sterk de indruk dat de dekkingsgraad er zich toe laat lenen om pensioengelden te reserveren voor andere doeleinden dan het uitbetalen van pensioenen en het nakomen van pensioenafspraken. Heeft ABP dan soms ook de dekkingsgraad opgeschroefd naar 105 procent om met het geven van een indexatie voor 2010, ook al was die nog zo laag, een mooie sier te kunnen maken?
Een eerlijk pensioenuitkeringssysteem valt of staat met een betrouwbare graadmeter. Het bovenstaande laat duidelijk zien dat het met het oog daarop de hoogste tijd is om het berekenen en hanteren van de dekkingsgraad aan wettelijke regels te binden. Een onafhankelijke instantie zou dat moeten voorbereiden. Er worden steeds meer redenen bedacht om de pensioenen laag te houden of verder te verlagen. Voor het vaststellen van de hoogte van de pensioenen bestaan er helemaal geen regels. Dat verklaart waarschijnlijk ook, waarom toezichthouders, zoals DNB, het ondoorzichtige, ieder willekeurig moment maar weer veranderen van de dekkingsgraden geen halt toeroepen. Immers, waar geen regels zijn, kunnen ze ook niet worden overtreden.
Labels: ABP, Koopkracht, Pensioengelden| Weblog |

