Ons pensioenstelsel – aanzet tot een discussie

Joop van Vliet Joop van Vliet

Ondanks alle terechte kritiek op het pensioenakkoord is het duidelijk dat het huidige stelsel op termijn niet te handhaven is zonder min of meer ingrijpende wijzigingen. De zorgvuldigheid vereist dat er daarom eerst een goede analyse wordt gemaakt van een aantal belangrijke zaken, te weten:

  1. Vergroting van het maatschappelijk draagvlak.
    Het is duidelijk dat de solidariteit van jong naar oud nog verder onder druk komt te staan als enerzijds de onzekerheid over de hoogte van de toekomstige uitkeringen groter wordt en anderzijds de te betalen premies hoger worden. Daarbij speelt verder een rol dat de pensioenopbouw gerelateerd aan de betaalde premie bij jongeren lager is dan bij ouderen. Datzelfde geldt, eigenlijk nog sterker, voor de perverse solidariteit tussen lager opgeleide en hoger opgeleide vrouwen, waarbij de verschillen in levensduur een zeer grote rol spelen.
  2. Het aanvaardbare minimum aanvullend pensioen en de AOW als basispensioen
    Het gaat hierbij om het totaal van AOW-uitkering en aanvullend pensioen. Beide kunnen bijvoorbeeld worden uitgedrukt als percentage van het minimumloon. Omdat ook de toekomstige houdbaarheid van de AOW ter discussie staat, kunnen beide componenten niet los van elkaar worden beschouwd.
  3. De maximale pensioenpremie in procenten en geld, samen met premies sociale verzekering en de maximale zorgpremie
    Het is te simpel om te stellen dat een premiepercentage van X procent voor het aanvullend pensioen als maximaal moet worden gezien. Als de premies sociale verzekeringen (omslagstelsel) omhoog gaan en/of de nominalezorgpremie en/of de inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorg stijgen, wordt het besteedbaar inkomen lager en daalt daardoor dus ook de bestedingsruimte in procenten.
  4. De gewenste mate van zekerheid
    Het zal duidelijk zijn dat de gewenste mate van zekerheid nauw verbonden is aan de hoogte van het pensioen en het (leeftijdsgebonden) bestedingspatroon van de gepensioneerde. In het algemeen echter zal de behoefte aan zekerheid groter zijn naarmate het pensioen lager is.
  5. De Europese en nationale regelgeving
    In een aantal gevallen bijten de Europese regels en de Nederlandse regelgeving elkaar. Onze nationale regelgeving is gebaseerd op de in het verleden geformuleerde wenselijkheden en gedane toezeggingen, maar vooral ook op de verplichting tot deelname in een door de werkgever gekozen pensioenfonds. Dat laatste is een vorm van gedwongen winkelnering, die terecht door Europa wordt afgekeurd.

Andere kernpunten
Als belangrijkste kernpunt kan worden gezien het te verwachten rendement van de opgebouwde pensioenvermogens. Dat rendement en ook de te verwachten inflatie zullen voor een goed deel bepalend zijn voor de ‘kostendekkende‘ pensioenpremie in relatie tot de gewenste mate van zekerheid.
Hoe hoger het te verwachten rendement uitgaat boven de te verwachten inflatie, des te lager zal de kostendekkende pensioenpremie hoeven te zijn. Overigens is het vrij eenvoudig om naast het gebruikelijke brutorendement (opbrengst in procenten) en nettorendement (opbrengst in procenten verminderd met transactie en beheerskosten) een netto-nettorendement te definieren waarbij het netto-rendement wordt verminderd met het actuele inflatiepercentage.
Stel bijvoorbeeld dat het inflatiepercentage 1,5 procent is en de beheerskosten 2 procent bedragen dan blijft er bij een gemiddeld brutorendement van 7,5 procent een netto-nettorendement (nnr) van 4 procent over. Het gebruik van dat nnr maakt de verdere berekenigen aanzienlijk eenvoudiger.

Overigens is ook het vaststellen van het juiste inflatiepercentage dat moet worden toegepast, geen sinecure. Het is voor de objectieve beschouwer duidelijk dat dat inflatiepercentage doelgroepafhankelijk hoort te zijn en dus niƩt gelijk kan zijn aan het algemene indexatieppercentage. Ouderen, en die vormen immers de doelgroep voor de pensioenuitkeringen, hebben een ander uitgavenpatroon dan jongeren. Bovendien mogen in dat inflatiepercentage ook de kostenstijgingen voor geriatrische zorg buiten beschouwing blijven evenmin als de stijging van de lasten die door de lagere overheden worden opgelegd.

Een verder punt van overweging is of een eventuele indexatie (die zal nodig zijn in verband met de gewenste vergroting van de zekerheid) welvaartsvast dan wel waardevast dient te zijn.

Tenslotte, alhoewel deze opsomming van overige kernputten niet uitputtend is, kan de vraag worden gesteld of het wel nodig is om boven een bepaalde grens (zeg drie keer modaal) nog verplicht pensioen op te bouwen, als er al sprake dient te zijn van een dergelijke verplichting.

Bijkomstige overwegingen
Verplichte deelname aan een pensioenfonds hoeft niet noodzakelijkerwijze te betekenen deelname aan een aangewezen pensioenfonds, maar kan wel degelijk keuzevrijheid tussen een niet al tte klein aantal pensioenfondsen betekenen.

Schaalvoordelen maken het aantrekkelijk dat in vergelijkbare gevallen voor een vergelijkbare pensioenregeling kan worden gekozen. Dat betekent dat aan het aantal van deze regelingen per pensioenfonds een bovengrens moet worden gesteld. Maatwerk lijkt misschien aantrekkelijk maar is uit overwegingen van kostenefficientie niet gewenst.

Omdat schaalvoordelen boven een bepaalde grootte van het fonds niet langer wezenlijk toenemen en ook de mate van bestuurbaarheid van een groot fonds afneemt, is er een optimale fondsgrootte (waarbij de bandbreedte overigens vrij groot zal zijn) en in dat kader lijkt het door Joanne Kellerman (DNB) genoemde aantal van maximaal 100 pensioenfondsen die het gezamenlijke pensioenvermogen ca. 800 miljard euro beheren, voor ca. 8 – 10 miljoen aangeslotenen (deelnemers, ex-deelnemers en gepensioneerden – zonder dubbeltellingen) niet van realiteitszin verstoken. Dat betekent dat een gemiddeld pensioenfonds voor 80-100 duizend aangesloten ongeveer 8 miljard aan pensioenvermogen beheert ofwel in doorsnee zo’n 80 tot 100 duizend euro per aangeslotene.

Een andere belangrijke ‘bijkomstigheid’ is de vraag of er nog plaats is voor commerciele pensioenverzekeringen? En zo ja, voor welk stelsel kiest men dan? Hoewel de meeste pensioengerechtigden voor de grotere zekerheid van het DB-stelsel zullen kiezen, moet de wenselijkheid om ook deelname aan een DC-stelsel mogelijk te maken niet worden uitgesloten. Het gaat namelijk om de keuzevrijheid (binnen grenzen) van de deelnemer.

In samenhang met de voorgaande overweging kan ook de wenselijkheid van een bovengrens aan de pensioenverplichting worden gezien. Het is goed denkbaar dat tot een bepaalde grens een DB-stelsel de voorkeur geniet en boven die grens een DC-stelsel beter wordt geacht.

Conclusie
Uit de voorgaande beperkte opsomming blijkt al dat er veel moet gebeuren om voor Nederland een betaalbaar, aanvaardbaar en houdbaar pensioenstelsel te kunnen garanderen. Het zogeheten ‘pensioenakkoord’ is, ondanks de vele bezwaren die daar tegen zijn, in elk geval een eerste stap. Maar bij die eerste stap kan en mag het niet blijven. Het wordt hoog tijd dat er een fundamentele discussie komt over de pensioenen, de pensioenfondsen, ‘pension fund governance’, de zeggenschap en vooral ook de mate waarin fondsbestuurders competent zijn en welke eisen aan die competentie gesteld moeten worden.
Tot die competentie horen overigens niet alleen de kundigheid van de bestuurder maar vooral ook zijn of haar integretiteit, onafhankelijkheid, openheid en communicatievermogen.

Labels: , | Weblog |