Archief van juni 2012

Pensioenvertrouwen en pensioenvermogen

maandag 25 juni 2012

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 25 juni 2012

Het lage vertrouwen in onze pensioenfondsen
De Nederlandse Bank heeft eind maart 2012 een enquête gehouden onder een representatief deel van de Nederlandse bevolking over het vertrouwen in de financiële sector.

De uitkomst is verontrustend en verbazingwekkend dat banken hoger scoren dan pensioenfondsen: “Het publieke vertrouwen in het eigen pensioenfonds daalde van 62% in 2011 naar 55% dit jaar op de vraag: “Hebt u er vertrouwen in dat het pensioenfonds (de pensioenfondsen) waarbij uw pensioen is ondergebracht in staat zal (zullen) zijn te zijner tijd uw pensioen uit te betalen?” Dit is 30 procentpunt lager dan in 2007. Deze score ligt ook beduidend lager dan de scores voor banken en verzekeraars. Dit houdt vermoedelijk verband met de aangekondigde kortingen op pensioenaanspraken, de aanhoudende discussie over de toekomst van het pensioenstelsel en de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd.” En dat dankzij de sociale partners en de politici.

Waardering pensioenvermogen is kortzichtig
Dat schreef Dr. A.J. Vermaat, oud-voorzitter van de Pensioen- en Verzekeringskamer (nu onderdeel van DNB) in het Financieel Dagblad van 21 juni. “Dit komt door de gekozen regel dat de toekomstige verplichtingen contant moeten worden gemaakt tegen de actuele risicovrije 10-jaarsrente (op Nederlandse staatsobligaties)”. Hij noemt dit “een foute hypothese”. Want hij vraagt zich af waarom zou de lange nominale rente na de komende 10 jaar nog zo’n 30 à 40 jaar op rond de 2% blijven staan? “Historisch een belachelijke hypothese”. En dat maakt veel uit, want een 1% hogere of lagere rekenrente maakt een verschil in dekkingsgraad van circa 10%. Volgens de wetenschap bestaat een normale rente in de markt uit een reële rente als uitleenvergoeding en de verwachte inflatie in de uitleenperiode. Daarop is de vroeger veel gebruikte rekenrente van 4% gebaseerd. Tenzij overheden zelf een kunstmatig lage rente vaststellen.

Pensioencongres van Investments and Pensions Nederland
Ook daar werd door jongeren gewezen op het mogelijk leegeten van de pensioenpotten door de ouderen vanwege de pas uitgekomen ‘Hoofdlijnennota’ van minister Kamp. Dat willen ouderen niet voor hun kinderen en kleinkinderen. Ouderen willen echter geen lagere pensioenen krijgen omdat de jongeren met hun veel hogere levensverwachting dan de huidige ouderen geen hogere premie wensen te betalen, niet langer willen werken en geen afgeslankt pensioensysteem willen.

Potamus is teleurgesteld

zondag 24 juni 2012

Lees in zijn nieuwste weblog, ‘Kamer, mag het wat serieuzer?’, waarom Potamus teleurgesteld is in politici.

Kamer, mag het wat serieuzer?

zondag 24 juni 2012

potamus Hippo Potamus

Hoofdverdiensten
Een gewoon Tweede Kamerlid verdiende in 2012 bruto, inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering 102.040,13 euro als ‘schadeloosstelling’ voor het Kamerwerk. Plus een ov-jaarkaart 1e klasse of een compensatie woon-werkverkeer van 37 cent per kilometer. Plus een verblijfkostenvergoeding die afhangt van de afstand tussen hun woonplaats en Den Haag. Plus een beroepskostenvergoeding van 2.509,27 euro per jaar. Plus een normale ziektekostenvergoeding gelijk aan die van burgerlijke rijksambtenaren. Plus 2 procent pensioenopbouw per jaar, die vier jaar doorgaat na hun aftreden. (bij wachtgeld is het percentage lager). Plus voor de nabestaanden, na het onverhoopt overlijden van het Kamerlid, een dikke 20.000 euro (3 maanden schadeloosstelling). Hoewel er in Nederland veel mensen meer verdienen en een serieus uitgevoerd Kamerlid-maatschap ongetwijfeld een zware baan is, die funest kan zijn voor je sociale leven, is het toch een goed betalende baan.

Nevenverdiensten
Kamerleden mogen zonder enig probleem 1.000 euro per maand of een volle AOW bijverdienen; daarboven gaat er voor iedere 100 euro meer per maand 50 euro schadeloosstelling af tot maximaal 35.000 euro per jaar. Er zijn Kamerleden met meer dan 150.000 euro aan neveninkomsten. Potamus vraagt zich als politieke leek af of een functie die 150.000 euro oplevert wel met het Kamerlidmaatschap te combineren is en denkt dat dan minstens een van beide functies zwaar wordt overbetaald.

Tijdrekken
Met deze serieuze honorering in gedachten, vraagt Potamus zich af wat de Kamer de laatste tijd heeft bezield om zo weinig serieus te acteren. Een mislukte marathonzitting waarop PVV en SP voorlazen uit emails van de eigen achterban. Een goed doel vindt Potamus, want vlak voor de verkiezingen moet je er geen controversiële zaken doorjagen als het volk zich daarover op 12 september kan uitspreken. Maak er een punt van in je verkiezingsprogramma om te ervaren hoe degenen die je beweert te vertegenwoordigen er over denken. Helaas nu zagen we hoe gehaast voorlezende Kamerleden struikelden over hun eigen woorden en niet over de weinige interrupties van opponenten. Terwijl je van de Amerikaanse televisie weet, dat je langzaam en gedragen moet spreken om echt tijd te rekken.

Kieslijsten
Nog erger was het gedoe rond de verkiesbare plaatsen. Daar maakt vooral het CDA een potje van. Twee hoogstaande (op de lijst dan) figuren werden snel even burgemeester gemaakt, waardoor het CDA in Noord-Brabant ontmand of liever ontvrouwd wordt. En hoe serieus neemt die partij eigenlijk de gepensioneerden en bijna-gepensioneerden en daarmee het hele pensioenvraagstuk? Want Pieter Omtzigt staat niet op een verkiesbare plaats en zelfs niet op de lijst. Vorige keer ook al niet, maar toen kwam hij nog binnen met voorkeursstemmen. Voor- en tegenstanders zijn het er over eens dat Pieter een van de weinige echte pensioenspecialisten is, met een grote dossierkennis. Zelfs tegenstander Paul Ulenbelt van de SP meent dat Omtzigt op de CDA-lijst zou moeten staan – juist vanwege die pensioenkennis. En het CDA is niet de enige partij, die haar pensioenkenners laat vertrekken. Bij de VVD is dat nog te verdedigen en netjes opgelost want daar heeft Stef Blok ondanks zijn fractievoorzitterschap het initiatiefvoorstel van Koser Kaya en hemzelf er tot het einde toe doorheen geloodst. Bij SP, D66 en PVV lijkt pensioen ook serieus te worden genomen … maar bij de rest?

Teleurstelling
Potamus is teleurgesteld in de politici. Niet voor de eerste keer overigens, want steeds weer hoopt hij dat ze nu eindelijk de gepensioneerden ‘serieus nemen’. Maar altijd wordt dat ‘serieus nemen’ dus fors mee betalen! Eind juni -75 dagen voor de Kamerverkiezingen vraagt hij zich af: ”Worden de gepensioneerden het offerlam op het altaar van Europa dat alleen nog maar de bankenmammon als god erkent?”

In Memoriam

zondag 24 juni 2012
In Memoriam

Peter Langenberg

Op 14 juni 2012 overleed Peter totaal onverwacht op 82-jarige leeftijd. Op zijn rouwkaart staat een tekst die uitstekend de man typeert, die wij helaas moeten missen:

“Met een hart van goud stond hij nog vol in een voor hem, sociaal en politiek betrokken leven”.

Een hart van goud. Dat blijkt niet alleen uit talrijke onderscheidingen maar ook uit de grote genegenheid waarmee hij over zijn overleden vrouw sprak. En de betrokkenheid over het wel en wee van zijn vele vrienden en kennissen.

Peter was wars van eigen eer.

Zijn sociale zienswijze betrof een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel, een antenne voor maatschappelijk onrecht en afkeer van een overheid als deze zich onbetrouwbaar toonde. Eerlijk duurt het langst, was zijn parool en dus moet eerlijkheid veel langer duren.

Politiek was Peter intens meelevend.

Hij voelde zich gekwetst door gedraai, halve waarheden, egoïstisch gedrag, a-sociale tendenzen en gluiperig taalgebruik zoals het invaren van oude recht bij het zogenaamd Pensioen akkoord.

Peter Langenberg, een man van het wij-gevoel

Simon van der Schoot
voorzitter Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen

Economische Ontwikkelingen en Vooruitzichten juni 2012

maandag 18 juni 2012

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 18 juni 2012 die deze keer bestaat uit het persbericht van de Nederlandsche Bank van 11 juni 2012.

Ramingen DNB voor de Nederlandse economie: eerst krimp, dan langzaam herstel
De Nederlandse economie krimpt dit jaar met 0,6%, waarmee de dubbele dip een feit is. Vervolgens treedt langzaam herstel op. In 2013 is de groei nog een bescheiden 0,6%, in 2014 klimt deze op tot 1,2%. De werkloosheid stijgt tot 6,4% in 2014. Hogere economische groei vergt breed vertrouwensherstel in Nederland en Europa, hiertoe zijn overtuigende beleidsmaatregelen gericht op de lange termijn noodzakelijk. Dat blijkt uit de nieuwe halfjaarlijkse raming van DNB, die vandaag is gepubliceerd.

Door tegenvallende ontwikkelingen in de internationale economie en de aanhoudende inzinking op de Nederlandse huizenmarkt komt de economische groei dit jaar en komend jaar lager uit dan een half jaar geleden nog werd verwacht. Verondersteld is dat de Europese schuldencrisis – de voornaamste bron van de vigerende onzekerheid en het beperkte vertrouwen van dit moment – geleidelijk en zonder grote schokken tot een oplossing komt. Voor 2013 speelt ook mee dat in de raming zoveel mogelijk rekening is gehouden met het Begrotingsakkoord, waardoor de groei van het bruto binnenlands product (bbp) in 2013 en 2014 vermindert met respectievelijk 0,5 en 0,3 procentpunt. Door deze maatregelen daalt het EMU-tekort in 2013 tot 2,9% van het bbp. Ondanks de aantrekkende economische groei loopt het begrotingstekort in 2014 weer wat op, tot 3,1% van het bbp. Dit geeft duidelijk aan dat de overheid ook na 2013 nog voor een flinke uitdaging staat om haar financiën op orde te krijgen.

De matige groeivooruitzichten van de Nederlandse economie komen volledig voor rekening van de ongunstige ontwikkeling van de binnenlandse bestedingen van gezinnen, bedrijven en de overheid. De bijdrage van de uitvoer aan de economische groei bedraagt in de ramingsperiode ongeveer 1 procentpunt per jaar. Daarmee blijft de uitvoer net als in het verleden onontbeerlijk voor de groei van de Nederlandse economie.

Door de kredietcrisis zijn de balansen van de financiële sector en de overheid in snel tempo verslechterd. Gecombineeerd met de aanhoudende malaise op de huizenmarkt heeft dit bijgedragen aan een fors vertrouwensverlies bij consumenten en producenten. Hiervan gaat een sterk negatief effect op de binnenlandse bestedingen uit, waardoor het noodzakelijke balansherstel wordt bemoeilijkt. Om aan deze neerwaartse spiraal te ontsnappen, zijn meerdere jaren van hogere economische groei nodig. Een impuls hiertoe kan uit het buitenland komen – via een hogere groei van de wereldhandel – maar daarnaast is ook een binnenlandse vertrouwensimpuls zeer welkom. Uit variantenanalyses blijkt dat voor significant betere groeiprestaties van de Nederlandse economie forse impulsen nodig zijn. Dit vereist in elk geval dat Europese beleidsmakers snel met overtuigende maatregelen komen om de schuldencrisis het hoofd te bieden en de monetaire unie institutioneel te versterken. Voor Nederland is cruciaal dat huishoudens en bedrijven zo gauw mogelijk bevrijd worden van de onzekerheid over de op stapel staande veranderingen ter zake van de arbeidsmarkt, de woningmarkt, het inkomensbeleid en de pensioenen.

Crisis bij de pensioenfondsen?

maandag 11 juni 2012

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 11 juni 2012

De misplaatste paniek over de crisis van de pensioenfondsen
In het dagblad Trouw van 5 juni schreef de emeritus hoogleraar Staathuishoudkunde en financieel toezicht Arend Vermaat als deskundige een zeer lezenswaardig artikel. Hij schreef dat hij als oud-voorzitter van de Pensioen- en Verzekeringskamer er zich eigenlijk niet mee wilde bemoeien, maar dat het nu te gek wordt. Al die verhalen over crises bij de pensioenfondsen: pensioenrechten korten vanwege de huidige lage dekkingsgraden! Staan de pensioenfondsen er dan echt zo slecht voor?

Soms wel, maar dan gaat het om speciale gevallen (zoals overrijpe fondsen of een faliekant verkeerd uitgepakt risicovol beleggingsbeleid). Maar globaal gesproken niet. Waarom dan die paniekverhalen? Die worden veroorzaakt door de gehanteerde berekeningsmethodiek van de pensioenverplichtingen op lange termijn. De huidige toezichthouders zijn geheel in de ban geraakt van het ‘boekhouden tegen actuele prijzen’.

Berekeningsmethode pensioenverplichtingen
Kort door de bocht geformuleerd: voor de berekening van de hoogte van alle pensioenverplichtingen (ook die van tien jaar en langer) wordt aangenomen dat de rentestand gelijk zal blijven aan de huidige rentestand voor risicovrije staatsobligaties met een looptijd van tien jaar. Dus dat het realistisch is om aan te nemen dat deze tienjaarsrente nog zo’n dertig tot veertig jaar zo’n 2 procent zal blijven. Dit lijkt mij zowel theoretisch als historisch gezien een tamelijk onzinnige veronderstelling.

Hoe zou het financiële toezicht op pensioenfondsen (en verzekeraars) er dan globaal uit moeten zien? Ik ben voorstander van drie toetsen.

  1. een korte-termijntoets (voor één à twee jaar) waarbij er voornamelijk op wordt gelet of er voldoende liquiditeiten zijn om aan de verplichtingen te voldoen.
  2. een middellange termijntoets (voor vijf tot tien jaar) op de vraag naar voldoende solvabiliteit (globaal) langs de huidige methodiek, maar dan alleen voor de verplichtingen lopend tot die tien jaar!
  3. een complete solvabiliteitstoets voor de gehele looptijd van baten en verplichtingen op basis van realistische veronderstellingen. Daarbij mag men aannemen dat zeker na tien jaar de (nominale) rentevoeten weer richting het historisch gemiddelde van minstens 4 procent zullen zijn gegaan. Zeker wanneer de eurocrisis bedwongen is, en mede gezien de enorme monetaire financiering van de laatste jaren en voorts de toenemende schaarste aan grondstoffen en voedingsmiddelen.

Levensverwachting, pensioenpremie en pensioenleeftijd
Maar is de levensverwachting dan recentelijk niet ontzettend opgelopen? Dat kost toch ook geld? Ja, maar dit verschijnsel was overigens al jaren bekend. Het domweg doortrekken van deze trend is echter niet reëel. De zorgsector zal niet onbeperkt blijven groeien en ook dat heeft effect op de levensverwachting.

Maar de doorsnee pensioenpremies zijn kennelijk te laag geweest. Dus moeten we die verhogen. Eventueel kan dat via de ABP-dakpanmethode, waarin het verschil tussen de doorsnee premie en de actuele premie in vier tot vijf jaar wordt ingelopen. En voor hen die reeds met pensioen zijn gegaan: eventueel de uitkeringen enigszins korten op het moment dat zij de leeftijd bereiken van wat de gemiddelde levensverwachting was op het moment dat zij 65 jaar werden.

Is dit voldoende? Zeker niet! Zoals in 1987 het rapport van de Commissie Drees jr. al adviseerde: de AOW-leeftijd èn die voor de aanvullende pensioenen snel doch geleidelijk verhogen, bijvoorbeeld met één maand per jaar. Inmiddels is het 2012, en zijn we 25 jaar verder. Dus moet die pensioenleeftijd sneller omhoog!

De rijken worden nog rijker

maandag 4 juni 2012

Financiële crisis

Joop van Vliet

Een simpele vraag aan de voorlichter van het CBS (“Hoeveel ingezetenen hadden in 2010 een inkomen uit arbeid van meer dan 100.000 euro”, leverde een verwijzing op naar een tabel, die ik niet eerder op de CBS-site ‘statline’ had kunnen vinden. Deze tabel bevat een schat aan informatie, waaraan ik onder meer de gegevens ontleen, die hieronder zijn gebruikt.
Het CBS is geen saaie cijferfabriek maar een – voor ingewijden in de statistiek althans – schatkamer vol informatie over de Nederlandse samenleving. We realiseren ons vaak onvoldoende hoe belangrijk het werk van het CBS is voor sociologen, economen, politici en journalisten. Dat mag ook wel eens gezegd worden.

In 11 jaar nam het aantal Nederlandse ingezetenen met een persoonlijk inkomen van 100.000 euro of meer fors toe. Niet onlogisch, want alleen al door de gemiddelde inflatie daalde de euro van 2000 (toen als giraal geld) in waarde met 18 procent. Dat betekent dat de 100.000 euro van 2000 nu ongeveer 82.000 zijn. Op basis van die cijfers en 9 procent bevolkingsgroei kunnen we een geschatte groei van het aantal topinkomens verwachten van zo’n 50 procent.

In werkelijkheid waren het echter veel meer en daarvan profiteerden vooral de actieven; de werknemers in loondienst, de ambtenaren en de lagere overheden, de zelfstandigen en de DGA (directeuren/grootaandeelhouders). Opmerkelijk is ook dat het aantal gepensioneerden met meer dan 100.000 euro inkomen relatief sterk toenam.

Rijke werknemers
In de eerste grafiek zien we dat bij de topinkomens vooral het aantal werknemers sterk steeg. In de eerste tabel vinden we (dat het) een stijging (is) met 147.000 (van 70.000 tot 217.000) personen. Bij de overige groepen gaat het om een (in absolute zin) geringe stijging en bij de zelfstandigen zelfs om een vrij forse daling.

Ambtenaren spekkopers
Kijken we echter naar de relatieve groei (de grafiek met de indexcijfers) dan zien we dat de groep (hoogste) ambtenaren het sterkst groeide; die groep werd 6,6 keer zo groot. Direct daarop volgen gepensioneerden met het befaamde ‘Zwitserleven’ gevoel, waardoor gepensioneerden als uitbuiters worden gezien.

Meeste niet-actieven gingen er op achteruit
Het is duidelijk dat de meeste niet-actieven (behalve een klein groepje bevoorrechte gepensioneerden) moesten inleveren en de werkelijk inflatie niet hebben kunnen bijhouden. De twee tabellen tonen de situatie in 2000 vergeleken met ‘nu’ (2010 is het laatste jaar waarover al voldoende belastinggegevens beschikbaar zijn).
In bijgaande tabellen zijn de actieven en inactieven ieder verdeeld in vier groepen met een restgroep.
De afname van de aantallen in de laagste inkomensklassen en de toename van de aantallen in de hoogste inkomensklassen is grotendeels toe te schrijven aan de inflatie. Voor de andere inkomensklassen geldt dat minder. Uit de lagere klasse(n) komt er bij en er verdwijnt naar de hogere klasse(n). Wie een globale tweedeling maakt, ziet bij de actieven een duidelijke verschuiving van laag naar hoog.
Gezien de huidige crisis is de afname van het aantal werknemers en de toename van het aantal zelfstandigen (veel zzp-ers ofwel zelfstandigen zonder personeel) waaronder ook DGA’s normaal. De door alle kabinetten beloofde afname van het aantal ambtenaren blijkt niet te zijn ingelost.

Bij de niet-actieven, vallen onder de groep pensioen ook nog niet 65-plussers. Opmerkelijk is de afname van het aantal niet actieve arbeidsongeschikten – vermoedelijk door verandering van de wettelijke criteria.


Conclusie
De crisis heeft diepe sporen getrokken. Tot nu toe konden de lasten van de Amerikaanse hypotheekcrisis, de wereldwijde financiële crisis en de Eurocrisis nog worden afgewenteld op niet-actieven. De Gini-coëfficiënt, een ongelijkheidsmaat, steeg bijvoorbeeld van 0,24 tot boven de 0,30 (0 = volkomen gelijkheid); de ongelijkheid nam dus toe. Maar die lastenverschuiving helpt na 2010 niet langer. In toenemende mate zullen ook actieven de lasten moeten dragen. Hopelijk houdt men daar (in Nederland èn in Europa) rekening mee

De pensioenvoorstellen

maandag 4 juni 2012

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 4 juni 2012

De pensioenvoorstellen van minister Kamp liggen nu op tafel
Op 30 mei heeft minister Kamp zijn Hoofdlijnennota herziening financieel toetsingskader pensioenen ter kennis van de Tweede Kamer gebracht. Voor de geïnteresseerden zijn de betreffende documenten als bijlage aan deze nieuwsbrief toegevoegd (zie bijlage 1, bijlage 2, bijlage 3, bijlage 4 en bijlage 5). De minister heeft ook nog als toelichting de Circulaire SZW over herziening FTK van 30.5.12 uitgebracht (zie bijlage 6).

Hoe zien de voorstellen eruit?
Het bestaande pensioencontract met een nominale uitkering op basis van Defined Benefit wordt gehandhaafd met zo mogelijk indexatie, maar wel met strengere eisen voor o.a. de buffers. Er wordt een nieuw pensioencontract mogelijk gemaakt met een uitkering op basis van Defined Contribution met ingebouwde indexatieambitie (beschikbare premie zijnde het ‘reële pensioencontract’). Daarin krijgen de deelnemers eerder inflatiecorrectie op hun pensioen, maar lopen ze ook meer risico op een korting als de markten tegenzitten. Wel krijgen beide pensioencontracten hetzelfde financiële toetsingskader en mogen zij beide hun verplichtingen berekenen op basis van de ‘Ultimate forward rate in plaats van de huidige rentetermijnstructuur met de swaprente. Ook mag dan de dekkingsgraad over het gemiddelde van de voorafgaande 12 maanden worden aangehouden. Maar de hoogte van de dekkingsgraad voordat er volledig mag worden geïndexeerd, gaat omhoog naar 125%. Ook moeten de sociale partners vooraf afspraken maken over de financiële risico’s tussen oudere en jongere deelnemers en dat ook duidelijk moeten gaan communiceren. Tevens moet een ‘levensverwachtingsaanpassingsmechanisme’ (LAM) door de fondsen worden ontwikkeld waarvan het gebruik verplicht wordt bij de ‘reële contracten’ en vrijwillig bij de ‘nominale contracten’. Maar op belangrijke onderdelen zijn de voorstellen onvolledig, aldus de Pensioen Federatie. Het commentaar van het VNO-NCW over deze voorstellen is juichend en dat geeft te denken.

Hoe zit het met het ‘invaren’ van de bestaande rechten in het nieuwe contract?
De minister concludeert dat het ‘invaren’(inbrengen) van de oude rechten in een nieuw pensioen-contract juridisch mogelijk is, maar dat de uitvoering daarvan een zaak is van de sociale partners en de pensioenfondsbesturen. Hij wijst er overigens op, dat ze ook het bestaande contract mogen aanhouden, maar in dat geval onder meer een complete indexatiestaffel moeten toepassen, aldus het IPN van 30 mei. Maar daar denken de deskundigen Mr. F.H.J. Mijnssen en Prof. Dr. M.M.S. van Praag veel genuanceerder cq anders over in hun artikel Kom niet aan bestaande rechten in hun publicatie van 31 mei. ‘De (nieuwe) wettelijke regeling die minister Kamp voorstelt, komt in essentie neer op een overgang naar een beleggingsverzekering. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de bestaande rechten van deelnemers en pensioneerden. Dit is in strijd met tenminste twee beginselen’, aldus beide wetenschappers. In de eerste plaats zou het een inbreuk zijn op het eigendomsrecht zoals dat wordt beschermd door het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). En ten tweede als een inbreuk op de pensioenovereenkomst, waarvan iemands rechten daaruit in beginsel onveranderlijk zijn.

Hoe kijken de pensioenfondsen naar de voorstellen?
Directeur Riemen van de Pensioen Federatie in het FD van 31 mei: ‘Fondsen willen niet zulke grote risico’s lopen’. De meeste pensioenfondsen zoals ABP en PFZW willen om meer redenen niet overstappen naar een nieuw type pensioencontract dat minister Henk Kamp van Sociale Zaken afgelopen woensdag heeft gepresenteerd, aldus het FD. Ook voor ondernemingspensioenfondsen acht Guus Boender van Ortec Finance het nieuwe contract niet aantrekkelijk. Bovendien valt de dekkingsgraad in het oude contract 25 tot 35 procentpunten gunstiger uit dan in het nieuwe contract, aldus het FD. Ook Willem Noordman van FNV Bondgenoten stelt: ‘Ik acht de kans heel groot dat veel fondsen in het huidige systeem zullen blijven. Mensen willen liever zekerheid over hun uitkering en niet permanent geconfronteerd worden met kortingen’, zegt hij in het FD van 31 mei.