Nieuwsbrief

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hier hun nieuwsbrief. De opvattingen die in deze nieuwsbrieven staan hoeven niet altijd noodzakelijkerwijs ook de opvattingen van de NBP te zijn.

Medezeggenschap gepensioneerden

dinsdag 21 mei 2013

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 20 mei 2013

Behandeling wet versterking bestuur pensioenfondsen
Op 15 mei vond de plenaire behandeling in de Tweede Kamer plaats van het wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen. U kunt de video van dit debat in eerste termijn met een duur van 15.17 uur tot 19.09 uur terugzien op debatgemist.tweedekamer.nl/debatten/de-behandeling-van-versterking-bestuur-pensioenfondsen. Ondanks de reeds ingediende vier nota’s van wijziging van het wetsvoorstel werden er veel vragen gesteld aan staatssecretaris Klijnsma en vele ingediende amendementen werden besproken. Maar de staatssecretaris had zich slecht voorbereid en moest op vele vragen het antwoord schuldig blijven. Er komt daarom binnenkort een brief van Jetta Klijnsma met de gevraagde antwoorden waarin vooral het bestuur en het toezicht bij de vijf (!) voorgestelde bestuursmodellen wordt uitgelegd (welk orgaan van het pensioenfonds mag benoemen, beslissen, adviseren, heeft instemmingsrecht en kan in beroep gaan). Belangrijk is om een beroepsrecht voor minderheden op te nemen in het wetsvoorstel. De behandeling in tweede termijn door de Tweede Kamer zal zijn op 22 mei om 10.15 uur. Op 23 mei bij de aanvang van de middagvergadering vindt dan de stemming plaats over de ingediende amendementen bij dit wetsvoorstel.

Voor gepensioneerden was de expliciete toezegging van de staatssecretaris belangrijk dat ingeval het in behandeling zijnde wetsvoorstel niet vóór 1 juli 2013 door de Eerste Kamer wordt goedgekeurd, in ieder geval de aangenomen initiatiefwet Koser Kaya Blok (wet KKB) per 1 juli 2013 in werking zal treden zolang dit in behandeling zijnde wetsvoorstel niet van kracht is. Deze wet KKB geeft eindelijk de noodzakelijke zeggenschap aan gepensioneerden door toetreding in de besturen van bedrijfstakpensioenfondsen. Het in behandeling zijnde wetsvoorstel heeft echter een onjuiste en strijdige beperking opgenomen van maximaal 25% van de pensioneerden in een bestuur “wegens mogelijk onbalans” in zeggenschap, aldus de staatssecretaris. Er is nu toch ook onbalans doordat de bestuursleden namens de werknemers in aantal de gepensioneerden kunnen overtreffen?

Onder andere de Stichting Pensioenbehoud heeft dan ook vóór de behandeling van het wetsontwerp een email naar de Tweede Kamer verstuurd met de dringende oproep om de aangenomen wet KKB te integreren in het wetsontwerp ter opheffing van deze onjuiste asymmetrie in zeggenschap. Daarbij hebben wij ons speciaal gericht op de VVD die mede-initiatiefnemer was van de wet KKB. De grote voorvechter van onze zeggenschap Erwin Nypels (D66 en mede-opsteller van de wet KKB) heeft daarom aansluitend op het debat op 17 mei samen met anderen een ‘pleitnota’ daarover verstuurd. Dit stuk is openbaar en kan worden doorgestuurd naar anderen ter ondersteuning van ons standpunt. Kamerlid Paul Ulenbelt (SP) pleitte voor slechts één bestuursmodel en wel 1/3 werkgevers, 1/3 werknemers en 1/3 gepensioneerden, maar dat vond Jetta Klijnsma geen goed idee.

Strijd over besteding van vrijvallende pensioenpremies
De Nederlandsche Bank (DNB) heeft op 14 mei de resultaten van een onderzoek gepubliceerd waarin de gevolgen zijn berekend van de vrijvallende pensioenpremies door een lager opbouwpercentage zoals in het regeerakkoord is vastgesteld door coalitiepartners VVD en PvdA. In dat DNB onderzoek wordt berekend dat het om € 9 miljard gaat. “Als de € 9 miljard volledig wordt teruggesluisd naar werknemers, leidt dat volgens berekeningen van DNB al na een jaar tot een reële inkomensgroei van ruim 2%. Na vier jaar leidt dat ook tot een vergelijkbare toename van de consumptie. Dan zou het bruto binnenlands product 0,6% hoger uitkomen, de particuliere consumptie zou 2,4% hoger uitvallen en de werkloosheid zou iets dalen.” aldus het FD van 14 mei.

Maar dat geld (indien niet gespaard) zou dan niet terecht komen bij de gepensioneerden, alleen bij de huishoudens van de werknemers zoals DNB voorstelt. En de vakbonden willen dat dit geld wordt gebruikt om een verslechtering van de pensioenopbouw te repareren en daarmee niet de problemen met de onderdekking bij de pensioenfondsen (deels) herstellen. Volgens het FD van 15 mei vinden niet alleen de vakbonden, maar ook de pensioenfondsen en verzekeraars dat het geld dat vrijkomt ten goede moet blijven komen aan de pensioenen om niet de rekening naar latere generaties te schuiven. De sociale partners hebben tot 1 juni de tijd om met een eigen alternatief voor de regeringsplannen voor verlaging van de fiscaal vriendelijke pensioen opbouw te komen, want zij vinden dat het hun terrein is om hierover te beslissen. Tijd voor medezeggenschap gepensioneerden.

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 13 mei 2013

Welke verplichting heeft de overheid om onze pensioenen te beschermen?
Het Expertisecentrum Europees Recht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken publiceerde op 26 april een nieuwsbrief met als titel Overheid moet helft aanvullend pensioen garanderen bij insolventie werkgever. “De EU-richtlijn die de rechten van werknemers bij insolventie van een werkgever beschermt eist van de overheid dat altijd tenminste de helft van een aanvullend pensioen wordt gegarandeerd. Werknemers kunnen desnoods een schadevordering indienen bij de overheid. Dat heeft het EU-Hof op 25 april van dit jaar bepaald in een Ierse zaak.” Dit arrest heeft interessante aspecten voor gepensioneerden en heeft al tot vragen van het CDA-lid Pieter Omtzigt in de Tweede Kamer geleid aan de betreffende ministers of ook de Nederlandse Staat aansprakelijk kan worden gesteld voor verliezen bij pensioenfondsen en pensioenregelingen, en in geval van kortingen op pensioenen.

De nieuwsbrief van Buitenlandse Zaken vermeldt “Het gaat om de vraag of de Ierse regering een inspanningsverplichting had om de werknemers zoveel mogelijk hun opgebouwde pensioen te realiseren, of dat de werknemers een garantie hadden op tenminste 50% van de opgebouwde rechten. Nederland heeft aan de zijde van de Ierse regering betoogd dat het hier gaat om een inspanningsverplichting.” (cursivering ELD).

“Volgens artikel 8 van richtlijn 2008/94 moeten de lidstaten zich ervan vergwissen dat de nodige maatregelen worden getroffen om de belangen van de werknemers en die van de personen die de onderneming of vestiging van de werkgever op de datum van het intreden van de insolventie van de werkgever reeds hebben verlaten, te beschermen met betrekking tot hun verkregen rechten of hun rechten in wording op ouderdomsuitkeringen, met inbegrip van uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, uit hoofde van voor een of meer bedrijfstakken geldende aanvullende stelsels van sociale voorzieningen welke bestaan naast de nationale wettelijke stelsels van sociale zekerheid.”

“Deze bepaling is volgens het EU-Hof van toepassing wanneer het voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen onvoldoende is gefinancierd op het tijdstip waarop de werkgever in staat van insolventie verkeert en de werkgever, wegens zijn insolventie, niet over de middelen beschikt die noodzakelijk zijn om voldoende bij te dragen aan dit stelsel teneinde ervoor te zorgen dat de begunstigden ervan hun volledige pensioenuitkeringen ontvangen. Deze begunstigden hoeven niet aan te tonen dat andere factoren ten grondslag liggen aan het verlies van hun rechten op ouderdomsuitkeringen.”

“Wanneer maatregelen van een lidstaat er niet toe leiden dat de werknemers meer dan 49 % ontvangen van de waarde van de door hen opgebouwde rechten op ouderdomsuitkeringen uit hoofde van een voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen, levert dat als zodanig een gekwalificeerde schending van de op die lidstaat rustende verplichtingen.”

Daar Nederland zich op het standpunt heeft gesteld dat de overheid een inspanningsverplichting heeft om de werknemers zoveel mogelijk hun opgebouwde pensioen te realiseren, kan de vraag worden gesteld of de overheid wel rechtsgeldig wettelijke regelingen op pensioengebied kan aanpassen die de werknemers beletten om zoveel mogelijk hun opgebouwde pensioen te realiseren. Dit betreft in het bijzonder de voorgestelde zwaardere eisen aan het voortzetten van de huidige ‘harde’ pensioen-uitkeringsovereenkomst in het nieuwe stelsel, waardoor de dekkingsgraad direct fors zal dalen.

Lang niet alle pensioenfondsen hanteren de hogere rekenrente
Het Financieel Dagblad publiceerde op 6 mei haar onderzoek naar het gebruik van de hogere rekenrente op basis van de Ultimate Forward Rate. Een aantal pensioenfondsen hanteert strengere eisen voor zichzelf dan volgens de overheid nodig is. Ze baseren hun beleggings- of indexatiebeleid nog steeds op de risicovrije marktrente, ook al mogen ze van het Rijk sinds september de hogere nieuwe rekenrente gebruiken, de zogeheten ultimate forward rate (ufr). In hun rapportages voor de Nederlandsche Bank (DNB) zijn ze verplicht de ufr als basis te hanteren, aldus het FD.

Actuaris Jeroen Koopmans van het bureau LCP bevestigt dat, want het kan lastig uit te leggen zijn aan deelnemers. Het kan bijvoorbeeld zo uitvallen dat een pensioenfonds op basis van de ufr-dekkingsgraad wél zou indexeren, oftewel de pensioenen verhogen met de inflatie, en op basis van de marktrente niet. ‘Richting DNB moet de dekkingsgraad op basis van de ufr worden gerapporteerd. Dan moet je wel aan de deelnemers kunnen uitleggen dat je toch niet indexeert.’ Een Rijkscommissie evalueert momenteel de ufr, aldus het FD. Hierover moeten de deelnemingsraden en bestuursleden namens gepensioneerden maar eens indringende vragen stellen over deze inconsequentie.

Rekenrente en pensioenvermogen

maandag 29 april 2013

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 29 april 2013

Hoe gaat het verder met onze pensioenen?
Het kabinet en de sociale partners zijn het op 11 april eens geworden over de ‘sociale agenda voor de arbeidsmarkt van de 21e eeuw’, aldus het nieuwsbericht van de Rijksoverheid. En wat staat daarin over de pensioenen? “Het maximaal fiscaal gefaciliteerde percentage voor het opbouwen van de pensioenvoorziening wordt met 0,4% verlaagd. Bovendien vervalt de facilitering van pensioen boven een pensioengevend loon van € 100.000 per jaar. Het kabinet roept – ter ondersteuning van de koopkracht – sociale partners op pensioenpremies te verlagen, voor zover de financiële positie van het pensioenfonds dit toelaat.” Maar dat betekent een verdere uitholling van de pensioenfondsen waarin toch al te weinig premies binnenkomen en daarmee zullen de jongeren later de klos zijn. “Sociale partners hebben aangegeven hier alternatieven voor of aanvullingen op te willen bedenken. Het kabinet geeft voor de uitwerking tot eind mei 2013 de gelegenheid, met een maximaal budgettair beslag van structureel € 250 miljoen.” De sociale partners denken aan een opbouwpercentage van 2% p.j. voor het middelloon, zodat voor jongeren terecht een beter pensioen is te bereiken.

Op 1 januari van dit jaar is de AOW-leeftijd voor de eerste keer verhoogd, met een maand. Ter overbrugging voor mensen met een laag inkomen, die in een vut-regeling zitten en zich hier niet op hadden kunnen voorbereiden, wordt een overbruggingsregeling AOW-verhoging ingevoerd. In reactie op het verzoek van sociale partners om deze regeling uit te breiden, zal het kabinet het bereik van de overbruggingsregeling uitbreiden tot deelnemers met een inkomen tot 200% WML (300% WML voor paren).” Dus ook hier weer een onjuist inkomensbeleid via de pensioenen.

Het sociaal akkoord moet nog worden goedgekeurd door de achterbannen van de organisaties van werkgevers en werknemers. Er is op dit moment sprake van een ’onderhandelaarsakkoord’. Het kabinet gaat het parlement steun vragen voor de gemaakte afspraken. De voorstellen zullen daarna, in overleg met sociale partners en parlement, verder worden uitgewerkt in wetgeving.” Kortom, nog heel veel is onzeker en moet nog worden ingevuld. Wij zullen de Tweede Kamerleden informeren over onze visie.

Onderzoek van de commissie UFR naar de rekenrente
De pensioenfederatie heeft op 19 april in een brief aan deze onderzoekscommissie UFR over de rekenrente geschreven dat zij voorstander is van “een UFR-methodiek met een vaststelling op basis van een langjarig wereldwijd gewogen gemiddelde van de gerealiseerde reële rentes bij uitgifte van staatsobligaties, waarbij de waarnemingsperiode jaarlijks verschuift.” De bedoeling is een zeer geleidelijke aanpassing van de UFR op basis van marktomstandigheden, waardoor de invloed van de wijzigingen op de dekkingsgraad beperkt is. Ook over het nieuwe Financieel Toetsingskader (FTK) en de UFR wordt de voorkeur uitgesproken voor een 12-maands dekkingsgraadmiddeling.

Maar de Sociaal Economische Raad (SER) heeft een steen in de vijver van de rekenrente gegooid met haar advies over een alternatieve rekenrentemethode voor een stabielere rekenrente. De bedoeling is minder te korten in slechte tijden en minder uit te geven in goede tijden, aldus het FD van 26 april. Een van de bedenkers van dit advies is prof. Lans Bovenberg, kroonlid van de SER gesteund door de hoogleraren Arnoud Boot en Coen Teulings. Want de sociale partners verwachten dat de rekenrente die wordt vastgesteld door een commissie hoger wordt dan de huidige lage marktrente en dus een hogere dekkingsgraad geeft. Voor het Actuarieel Genootschap (AG) is belangrijk dat de UFR-methode als rentetermijnstructuur voldoet aan de principes van risicovrij, goed waarneembaar, robuust, verhandelbaar en valideerbaar.

Het hoogste netto vermogen en het hoogste inkomen in de eurozone
Een studie van de Europese Centrale Bank heeft aangetoond dat het hoogste netto vermogen (na aftrek van schulden) Luxemburg is met € 397.800 per huishouding en vervolgens Cyprus, Malta, België, Spanje, Italië, Frankrijk, Nederland (€ 103.600), Griekenland, Slovenië, Finland, Oostenrijk, Portugal, Slovakia en Duitsland (€ 51.400). De verklaring is dat zuidelijke landen een hoog percentage koophuizen en weinig schulden hebben. In Duitsland heeft maar 44% een koopwoning én weinig schulden. Nederland heeft 57% koopwoningen, maar is kampioen schulden maken. Wel hebben Nederland en Duitsland de hoogste inkomens in de Eurozone. Dit geeft een ander beeld.

Dekkingsgraden en medezeggenschap

maandag 22 april 2013

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 22 april 2013

Dekkingsgraad verbeterd door korten pensioenfondsen
De financiële positie van de vijf grootste Nederlandse pensioenfondsen is de eerste drie maanden van 2013 verbeterd. En dat komt voornamelijk door het korten van de pensioenen per afgelopen 1 april. Daarom hebben de pensioenfondsen op papier weer meer geld in kas dan ze in de toekomst aan pensioen moeten uitkeren. Dit blijkt uit de eerstekwartaalcijfers van de fondsen, die naar buiten zijn gekomen. Toch kan nog zeker niet de vlag uit. Eventuele kortingen in 2014 zijn alles behalve van de baan. Dat hangt van de dekkingsgraad per eind december af die circa 105% moet zijn. En ook de almaar achteruit hollende koopkracht blijft een punt van zorg.

Premier Rutte roept intussen op om meer geld uit te geven. Zoals prof. Jaap van Duijn laat zien in zijn column van 20 april betekent meer geld uitgeven in feite het nog meer opmaken van onze spaarpotten om de economie te stimuleren. En dat terwijl de gezinnen de laatste vijf jaar al hebben ‘ontspaard’ aldus Van Duijn. Dat komt omdat het reëel beschikbaar inkomen van Nederlandse gezinnen nu al vijf jaar is gedaald. Vorig jaar zelfs een daling van 3,2% volgens het CBS. We consumeren ieder jaar dus meer dan ons inkomen groot is. En in januari 2013 is de verlaging van de koopkracht voor gepensioneerden nog eens vergroot door de invoering van de Wet Uniformering Loonbegrip (WUL). De Koepel van Ouderen-organisaties CSO heeft daarover terecht aan de bel getrokken bij de staatssecretaris van Financiën Weekers. Laten we hopen dat het helpt.

Koepel van Nederlandse Verenigingen van Gepensioneerden (KNVG)
De KNVG heeft op 13 maart een concreet voorstel rondgestuurd met behoud van ons pensioenstelsel gebaseerd op het Defined Benefit stelsel (pensioen gebaseerd op een toegezegde uitkering), maar wel met een aantal wijzigingen en onder afwijzing van een pensioenstelsel met twee verschillende systemen (hard en zacht). Dus het behoud van het vele decennia lang bestaande stelsel van een gegarandeerd pensioen met een grote kans op indexering. Er dreigt nu door het falen van een kleine minderheid van de pensioen-fondsen een overigens goed presterend stelsel overboord te worden gezet. Daarbij zijn gepensioneerden willens en wetens nooit gehoord in het proces van totstandkoming van het pensioenakkoord, aldus de brief. En ook daarna is er nauwelijks geluisterd naar organisaties van ouderen. Daarom is er geen draagvlak in de samenleving voor de voorstellen. Voor het voorstel zelf: zie pagina 4 van de KNVG brief in de bijlage. De Stichting Pensioenbehoud steunt dit voorstel van harte, ook vanwege onze kinderen en kleinkinderen.

Ook op het gebied van de medezeggenschap van gepensioneerden heeft de KNVG een duidelijk standpunt ingenomen in de brief van 16 april aan de Vaste commissie van SZW van de Tweede Kamer. De Stichting Pensioenbehoud steunt de zienswijze van de KNVG ook op dit punt geheel. Daarbij is het uitgangspunt van de eerdere wet Koser Kaya Blok dat de gepensioneerden een positie moeten krijgen die (tenminste) gelijkwaardig is aan die van de deelnemers. In het nieuwe Wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen van de staatssecretaris Jetta Klijnsma wordt dat uitgangspunt teniet gedaan.

Het sociaal overleg

maandag 15 april 2013

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 15 april 2013

Wordt het ‘sociaal overleg’ ook een ‘sociaal akkoord’?
Op 11 april hield het kabinet een ‘sociaal overleg’ met de voormannen van de werkgevers en de werknemers, en de resultaten daarvan werden met tromgeroffel wereldkundig gemaakt. Pas na goedkeuring van de Tweede en Eerste Kamer resp. de Federatieraad van de FNV en het VNO bestuur kan het een ‘sociaal akkoord’ worden genoemd, ook wel het Mondriaan-akkoord naar de school waarin het overleg plaatsvond. Voor de sociale partners zal goedkeuring een fluitje van een cent zijn gezien de vele punten die zij hebben binnengehaald, maar de oppositie in het parlement kan het kabinet het nog flink lastig maken vanwege het afzien van ruim 4 miljard aan bezuinigingen voor 2014 en geen nullijn voor de zorg. Want wie betaalt het akkoord van 600 miljoen dan eigenlijk? Er wordt gerekend met een ‘inverdieneffect’ van de verwachte groei van de economie, terwijl de pensioenen dalen en de prijzen en belastingen flink stijgen. Blijkt die groei in augustus tegen te vallen, dan volgen deze bezuinigingen alsnog. Maar hoop doet leven.

Over de volgende punten werden afspraken gemaakt: de WW, het ontslagrecht, de flexarbeid, de arbeidsgehandicapten, een uitbreiding van de overbruggingsregeling AOW-leeftijdsverhoging en de pensioenen. Voor de pensioenen zijn de volgende punten het meest van belang:

  • Er is een overbruggingsregeling AOW, die gaat gelden voor personen die op 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een VUT- en prepensioenregeling en zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW leeftijd. Deze regeling wordt verruimd naar deelnemers met een inkomen tot 200% van het wettelijk minimum loon (WML) voor alleenstaanden en 300% WML voor paren. De regeling werkt terug tot 1 januari 2013.
  • Vanaf 2015 kan voor het inkomensniveau boven 100.000 euro niet langer belastingvrij) voor een aanvullend pensioen worden gespaard. Dit geldt zowel voor pensioenopbouw in de tweede pijler (collectief) als de derde pijler (individueel). Het maximale opbouwpercentage voor nieuwe pensioenopbouw wordt per 2015 verlaagd met 0,4%, hetgeen door vele organisaties zoals de ondernemingsraden van 20 grote bedrijven als onrechtvaardig voor jongeren wordt gezien, evenals door de Stichting Pensioenbehoud.
  • Het kabinet geeft de sociale partners tot 1 juni 2013 de gelegenheid een alternatief voor of aanvulling op bovenstaande maatregelen uit te werken met een maximaal budgettair beslag oplopend tot structureel 250 miljoen euro. Ten behoeve van deze uitwerking wordt een werkgroep opgestart waarin het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën zullen participeren. Bijvoorbeeld wordt gedacht aan collectief netto sparen met een vrijstelling van vermogensrendementsheffing in box 3 en/of het schrappen van de omkeerregel (verschuiving belastingheffing en geen vermogensrendementsheffing).
  • De sociale partners pleiten voor een (wettelijk) verplicht invaren van de bestaande pensioenrechten om een splitsing te voorkomen tussen het reële (nieuwe zachte) en het nominale (huidige harde) pensioencontract, waarbij ook voor een andere indexatie kan worden gekozen dan het volgen van de prijsontwikkeling.
  • De rekenrente (discontovoet) met de onlangs aangevulde Ultimate Forward Rate (UFR) wordt ter discussie gesteld en het onderzoek wordt opnieuw gestart naar een andere (macrostabiele) discontovoet dus een hogere rekenrente in slechte tijden en een lagere rekenrente in betere tijden. De Stichting Pensioenbehoud en de Tweede Kamer hebben datzelfde verzoek aan de staatssecretaris SZW Klijnma gedaan, maar zij is de aan de Tweede Kamer toegezegde uitbreiding van de taakopdracht van de commissie UFR niet nagekomen. Nu moet ze wel een goed en breed onderzoek laten uitvoeren op basis van deze afspraken.
  • De sociale partners in de Stichting voor de Arbeid pleiten voor een overgangsjaar 2014 waarbij al rekening wordt gehouden met het nieuwe financiële toetsingskader (met vaste premie) om afstempelingen en bijbetalingen zoveel mogelijk te voorkomen.

Het worden de komende maanden weer spannende tijden. We zullen de politiek benaderen met onze verbetervoorstellen samen met andere organisaties voor ouderen zoals de KNVG en NBP.

Nog maar eens het pensioenvermogen

maandag 8 april 2013

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 8 april 2013

Nieuw: minister van Economische Zaken over onze pensioen
In de TV uitzending van Eva Jinek op Zondag van 7 april deed minister van Economische Zaken Henk Kamp een opvallende uitspraak op de vraag hoe dit kabinet de economie weer aan de praat gaat krijgen. Gesteld werd dat de drie banken die we nog over hebben, te weinig kredieten kunnen verlenen aan het midden- en kleinbedrijf (MKB), de economische motor van Nederland. Maar liefst 50% van de aanvragen voor krediet aan het MKB wordt afgewezen door financieringsproblemen bij de banken, aldus de voorman van MKB Nederland Hans Biesheuvel. Minister Henk Kamp stelde daarop dat Nederland een rijk land is en dat er veel geld wordt gespaard bij de pensioenfondsen dat is te gebruiken voor de banken. De verzekeraars beleggen 45% van hun vermogen in Nederland en pensioenfondsen maar 15%, aldus de bewindsman. “Pensioenen zijn het eigendom van werkgevers en werknemers; die zitten in het pensioenfonds en maken zelf uit wat er mee gebeurd.” Deze uitspraak is pertinent onjuist. Het pensioenvermogen is juridisch eigendom van het pensioenfonds (vrijwel altijd een stichting) en als uitgesteld loon het economische eigendom van de premiebetalers en de gepensioneerden. Nu zitten alleen werkgevers en werknemers in het bestuur van het pensioenfonds, maar vanaf 1 juli krijgen na een overgangsperiode eindelijk ook de gepensioneerden het wettelijke recht om deel te nemen aan het pensioenfondsbestuur.
Minister Kamp vindt dat de werkgevers en werknemers in het fondsbestuur verstandige mensen zijn. Hij is ervan overtuigd dat pensioenfondsen meer in Nederland willen investeren. “Maar er zal door de overheid geen pressiemiddel worden gebruikt om dat doel te bereiken, alleen op vrijwillige basis.“ Daartoe wordt overleg gevoerd om in Nederland te beleggen aantrekkelijker te maken voor pensioenfondsen, aldus de minister. Voor minister Henk Kamp maken de pensioenvermogens kennelijk deel uit van de macro-economie en dat is zijn terrein. Maar hoe zou de minister van Sociale Zaken Lodewijk Asscher hierover denken? Behoren de pensioenen als arbeidsvoorwaarde nu ineens bij macro-economie? Het pensioenvermogen is om de pensioenen te kunnen uitbetalen, niet om banken of indirect het MKB overeind te houden met het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. We hebben in het verleden al gezien waartoe dat heeft geleid.

SER-rapportage ‘Nederlandse economie in stabieler vaarwater’
Op 5 april heeft de Sociaal Economische Raad (SER) met als leden vertegenwoordigers van de werkgevers en de werknemers evenals onafhankelijke leden, een rapport uitgebracht met “verduidelijkingen van de complexe macro-economische wisselwerkingen in onze economie”. Behalve de woningmarkt en de banken worden in hoofdstuk 4 de pensioenen behandeld. Ook hier worden de pensioenen gezien als macro-economische grootheid en niet als uitgesteld loon.
“Eén van pijlers van het systeem was de gedachte dat door de risicodeling tussen generaties een beter resultaat kon worden bereikt. Dat komt vooral doordat jongeren beter in staat zijn om beleggingsrisico’s op te vangen dan ouderen. Een manier om dat te bereiken is voor jonge deelnemers risicovoller te beleggen dan voor ouderen. Dit is alleen tot wederzijds voordeel als jongeren dan een vergoeding ontvangen voor het overnemen van het risico van ouderen en bij positieve schokken meer dan gemiddeld profiteren. (..) Risicodeling tussen generaties werkt echter niet als het gaat om het opvangen van macro-economische risico’s. Macro-economische risico’s treffen alle huidige generaties tegelijk. Als de beurskoersen dalen, hebben alle generaties die nu in het pensioenfonds deelnemen daar last van. Het risico van de een valt dus niet weg tegen het risico van de ander.” Zo hebben de gespaarde pensioenen dus last van de macro-economie.
“Risicodeling met toekomstige generaties brengt forse welvaartsvoordelen met zich mee. Het gaat dan om generaties die nu nog niet aan het pensioenfonds deelnemen. De beste pensioenresultaten kunnen worden bereikt door mee- en tegenvallers op financiële markten deels naar hen door te schuiven. Dat werkt het beste als de huidige generaties een buffer hebben aangelegd, waarop het fonds kan interen als zich een tegenvaller aandient. Als er geen buffer is, dan ligt dat veel moeilijker. Door in te teren zou de buffer dan immers negatief worden en nieuwe deelnemers zouden het fonds met een onbetaalde rekening uit het verleden betreden.” Een sterk pleidooi voor buffers.
“Er is dus behoefte aan een mechanisme om de nieuwe discontovoet op een onafhankelijke manier vast te stellen en consequente toepassing ervan in goede én slechte tijden te verzekeren.” Een breder onderzoek naar deze rekenrente had staatssecretaris Jetta Klijnsma onlangs aan de Tweede Kamer beloofd, maar de KNVG heeft te horen gekregen dat deze toezegging niet volledig wordt nagekomen. Hoezo betrouwbare overheid.

Pensioenvermogen groot genoeg?

dinsdag 2 april 2013

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 1 april 2013

Een biljoen euro pensioenvermogen en toch pensioenkorting
Het blad IPN van 28 maart schrijft “Woordvoerder Tobias Oudejans van De Nederlandsche Bank bevestigt dat het vermogen van de Nederlandse pensioenfondsen is gestegen tot 1.007.191 miljoen euro, ofwel ruimschoots meer dan een biljoen. Een jaar eerder bedroeg het pensioenfonds-vermogen nog ruim 873 miljard. De pensioenfondsen zagen de spaarpot in 2012 dus met 134 miljard euro toenemen. In 2011 groeide het vermogen met 71 miljard euro iets minder hard aan, tot bijna 802 miljard euro. Ondanks het record bedrag in de pensioenpotten is er echter geen reden tot juichen. Volgens de laatste dekkingsgraadrapportage van de toezichthouder van 21 maart 2013 bedroeg de dekking van de pensioenfondsen per ultimo februari gemiddeld 104 – een procentpunt onder het wettelijk minimum.”

De Nederlandsche Bank geeft de volgende toelichting: “De gemiddelde dekkingsgraad van de Nederlandse pensioenfondsen is in februari gestegen naar 104%. Eind december 2012 bedroeg de gemiddelde dekkingsgraad nog 102%. De dekkingsgraad – de verhouding tussen de beschikbare middelen en de verplichtingen – is vooral toegenomen door de verwerking van de kortingen die de pensioenfondsen in februari hebben aangekondigd. Daarnaast is de rentetermijnstructuur sinds december 2012 gestegen en namen de (buitenlandse) aandelenkoersen toe. In februari hebben 68 van de 415 pensioenfondsen een korting per april 2013 aangekondigd. Per ultimo februari waren 3,9 miljoen actieve deelnemers en 1,9 miljoen pensioengerechtigden aangesloten bij een pensioenfonds met een dekkingstekort.”
En toch stroomt het Malieveld in Den Haag niet vol met protesterende gepensioneerden. Wat is er toch aan de hand? Daarnaast geeft een dekkingsgraad van gemiddeld 104% niet de meest slecht presterende grote fondsen in februari aan: ABP 98%, PMT 98,5% en PME 99,4%. Dus er hangt nog meer onheil in de lucht.
BNR Nieuwsradio meldt op 27 maart “Dat veel mensen juist gekort worden op hun pensioen geeft volgens Lutjens een vertekend beeld. Je moet niet alleen voor de huidige gepensioneerden geld hebben, ook voor de jongeren die pensioenaanspraak hebben opgebouwd. Daar moet een vermogen ook op ingericht zijn.” Maar de hoogleraar pensioenrecht Lutjens vergeet te melden dat het niet alleen om het aanwezige vermogen gaat , maar ook dat er door de jongeren meer premie moet worden betaald wegens hun gemiddeld zeven jaar langere levensverwachting dan de huidige ouderen. Net zoals de ouderen die steeds meer premie betaalden naarmate zij ouder werden.

Houd toegezegde pensioenuitkering in stand, het kan!
In de uitgave van Me Judice van 29 maart schrijven prof. dr. B. van Praag en drs. D.A. Hollanders het prima artikel Houd toegezegde pensioenuitkering in stand, het kan! “Het huidige pensioensysteem waarin deelnemers een aan het loon gerelateerde pensioenuitkering krijgen toegezegd biedt een aantal evidente voordelen boven het ‘casino-pensioen’, waarin alle risico’s bij de deelnemers liggen. Ook is het op lange termijn houdbaar – in tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt. Dit stellen David Hollanders en Bernard van Praag. De gedachte dat de langere levensduur en lage rente dwingen tot het inruilen van het huidige pensioen voor een casino-pensioen snijdt geen hout.” Lees het artikel op www.mejudice.nl.

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 18 maart 2013

Kritiek op het voorgestelde pensioencontract
In het blad IPN van 12 maart betoogt de Nederlands-Canadese pensioendeskundige Keith Ambachtsheer dat pensioenstelsels heldere eigendomsrechten nodig hebben en dat er een stokje moet worden gestoken voor waardeoverdracht tussen deelnemers. Hij liet zich kritisch uit over de pensioenkortingen die momenteel in het Nederlandse stelsel worden doorgevoerd. De academicus bekritiseerde de kortingsmaatregelen als wat tegenwoordig doorgaat voor solidariteit en benadrukte dat een collectief pensioenstelsel zou moeten garanderen dat er geen enkele deelnemer wordt benadeeld. Maar één van de problemen van het Nederlandse stelsel is volgens hem dat het Nederlandse systeem twee verschillende doeleinden nastreeft met één en hetzelfde instrument. Terwijl elk doel vraagt om een eigen benadering in plaats van erop te wijzen solidariteit tussen de generaties heel belangrijk is. De Canadees-Nederlandse pensioenexpert vindt het Nederlandse systeem daarnaast veel te complex.

Als volgens hem een pensioensysteem zo in elkaar zit dat de ene pensioendeelnemer kan worden bevoordeeld ten koste van een ander, dan is de kans groot dat dat ook inderdaad gebeurt. Volgens Ambachtsheer werkte solidariteit geweldig goed in de negentiger jaren, maar is dat niet langer het geval. Nu is dat voorbij en moeten we de scherven bij elkaar zien te rapen. In het ontwerp van een pensioenstelsel horen heldere en onbetwistbare eigendomsrechten centraal te staan, meent hij. Er mag geen sprake zijn van waardeoverdracht van tevoren. Sommigen denken dat ze de oplossing hebben gevonden door over te stappen van het DB-contract (uitkeringsovereenkomst) op een reëel collectief DC-contract (beschikbare premieregeling), maar in de huidige vorm betekent dat een stelsel waarin je geld kunt afpakken van gepensioneerden. En dat noemen ze dan tegenwoordig solidariteit in Nederland, aldus Ambachtsheer.

Hoe ziet De Nederlandsche Bank ons pensioenstelsel
Het jaarverslag van DNB over 2012 vermeldt over pensioenen o.a. het volgende. “Het is de hoogste tijd om naar een moderner pensioenstelsel over te schakelen. De overheid, sociale partners, pensioenfondsen en toezichthouders beseffen dit al enkele jaren en tal van maatregelen zijn genomen of staan op de plank om het stelsel toekomstbestendig te maken. Dit gaat gepaard met een verschuiving van risico’s naar de deelnemers en vraagt aandacht voor transparantie, heldere communicatie en toereikende toezichtinstrumenten.” Alsof er geen pensioenstelsel te bedenken zou zijn waar de deelnemer niet alle risico’s op zijn bord krijgt. Het is aan de politiek om te zorgen dat de huidige zekerheden van onze pensioenen worden behouden.

“De ontwikkelingen in de periode 2008-2012 illustreren de behoefte aan structurele hervormingen van het pensioenstelsel. Sinds het uitbreken van de kredietcrisis is een variëteit aan maatregelen genomen om omvangrijke kortingen te beperken. Desondanks blijkt ook momenteel, tegen het einde van de reeds opgerekte vijfjarige hersteltermijn (die afloopt per eind 2013), de financiële positie van veel pensioenfondsen nog steeds niet op orde. Kortingen of premiestijgingen zijn dan ook onvermijdelijk. Verplichtingen groeien door de stijgende levensverwachting en langdurig lage rente.” Maar de werkgevers willen een bevriezing van de premies, geen stijgingen die wel nodig zijn. En dat kortingen door een onjuiste rekenrente komen, wil DNB niet erkennen.

“Uiteindelijk vragen structurele problemen om structurele maatregelen. (…) In 2011 sloten de sociale partners en het kabinet het Pensioenakkoord. Sluitstuk van dit akkoord is een nieuw Financieel Toetsingskader (FTK) dat op hoofdlijnen in 2012 tot stand is gekomen. Binnen dat FTK kunnen partijen zowel het huidige nominale contract behouden, met regels die zullen worden aangescherpt, als overstappen op het nieuwe, reële contract.” Het aanscherpen van de eisen aan het huidige nominale contract wordt door sommigen als misbruik van overheidsmacht gekwalificeerd.

“Kenmerkend aan beide contracten is ook de expliciete risicodeling. (…) Alle risico’s worden via vooraf vastliggende regels verdeeld over de betrokkenen. Tegelijkertijd doet dit een beroep op de risicoacceptatie van deelnemers, omdat de risico’s voor een groter deel bij hen zullen neerslaan. (…) Goede, heldere communicatie over verwachtingen en risico’s is daarom van cruciaal belang. Zeker wanneer die risico’s, als in het nieuwe contract, volledig door de deelnemers worden gedragen.” Maar dat is nu juist niet acceptabel en niet nodig voor een goed pensioenstelsel voor onze kinderen.

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 11 maart 2013

Opvallende conclusies in pensioenrapport Netspar
De conclusie van de recente Netspar studie Herverdeling door pensioenregelingen vermeldt dat de studie uit twee delen bestaat. In het eerste deel zijn de verschillen in levensverwachting gepresenteerd tussen mannen en vrouwen en tussen personen van verschillend opleidingsniveau. Hoogopgeleiden en vrouwen blijken een aanzienlijk hogere levensverwachting te hebben dan laagopgeleiden en mannen. Er zijn geen statistisch significante indicaties dat deze verschillen groter of kleiner aan het worden zijn.

In het tweede deel is, met behulp van deze gegevens, de herverdeling tussen verschillende sociaaleconomische groepen door het collectieve Nederlandse pensioenstelsel in kaart gebracht. Hierbij zijn de eerste pijler (aow) en de tweede pijler (aanvullende pensioenen) in onderlinge samenhang beschouwd. De studie laat zien dat er forse overdrachten plaatsvinden in de collectieve pensioenen, met name in de aow. De aow-regeling herverdeelt enerzijds van hoog- naar laagopgeleiden en anderzijds van mannen naar vrouwen. Deze herverdeling wordt gedreven door verschillen in levensinkomen: hoogopgeleiden verdienen over hun leven gemiddeld meer dan laagopgeleiden en dragen daardoor meer bij aan de financiering; hetzelfde geldt voor mannen in vergelijking tot vrouwen. De recente stijging in de levensverwachting heeft de herverdeling in de aow vergroot, terwijl de maatregelen uit het regeerakkoord de herverdeling verkleinen. Het regeerakkoord heft de effecten van de gestegen levensverwachting grotendeels op.

Bij de aanvullende pensioenen zijn er ook overdrachten van mannen naar vrouwen. Anders dan bij de aow vinden deze echter tussen sociaaleconomische groepen plaats van laag- naar hoogopgeleiden. Vergeleken met de aow zijn deze overdrachten echter zeer beperkt, zodat de uitkomsten voor beide regelingen tezamen volledig worden bepaald door de aow. De herverdeling die er is, wordt vooral veroorzaakt door verschillen in levensverwachting. De pensioenregelingen in de tweede pijler houden in de premie- en opbouwregels géén rekening met dergelijke verschillen. Omdat vrouwen gemiddeld langer leven dan mannen, pakt de herverdeling in de tweede pijler gunstig uit voor vrouwelijke deelnemers en ongunstig voor mannelijke deelnemers. Hetzelfde geldt voor hoogopgeleiden in vergelijking met laagopgeleiden.

De conclusie uit deze studie is dat de verontwaardiging van de politieke jongerenorganisaties niet terecht is, al zijn er wel verbeteringen mogelijk in ons pensioenstelsel. De prijs van solidariteit is niet zo hoog als wordt voorgesteld door deze jongeren.

De Nederlandsche Bank geeft een overzicht van vijf jaar over pensioenen
De onderstaande tabel geeft een goed overzicht over de periode 2008 t/m 2012 van wat er is gebeurd met onze pensioenen:

Al met al worden 5,6 miljoen mensen gekort op hun pensioen, waarvan 0,3 miljoen de laatste 5 jaar tevens géén indexatie hebben gehad. Dat lijkt weinig, maar gemiddeld betekent dat 6,3% koopkrachtverlies volgens Plus Online. Bovendien door een belastingmaatregel in januari kregen de gepensioneerden ook al tot 5% minder netto inkomen. De grote pensioenkortingen tot wel 7% per 1 april zullen dan ook hard aankomen. En dat allemaal door een onjuiste rekenrente waarover de KNVG voorzitter Martin van Rooijen een goed beargumenteerde brief heeft geschreven aan de Tweede Kamer. Laten we hopen dat het gezond verstand doorbreekt voor 1 april en dat de korting van de pensioenen voorlopig wordt opgeschort.

In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij hun nieuwsbrief.

Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 4 maart 2013

Op 27 februari stuurde staatssecretaris Klijnsma een brief naar de Tweede Kamer over o.a. de rekenrente die de discutabele redenering voor handhaving van de huidige rekenrente duidelijk omschrijft.
De hoofdboodschap van deze brief laat zich kort samenvatten:
– De hoge mate van zekerheid van de bestaande pensioenaanspraken stelt hoge eisen aan de financiering daarvan. Pensioenfondsen hoeven weliswaar niet risicovrij te beleggen, maar moeten in beginsel over voldoende geld beschikken om te allen tijde over te kunnen schakelen op risicovrije beleggingen, zoals staatsobligaties, om de aanspraken veilig te stellen.
– Het hanteren van een hogere rekenrente maakt fondsen – en daarmee de pensioenen – kwetsbaarder voor tegenvallers. De uitbetaling van de toekomstige pensioenen komt hierdoor sneller in gevaar, hetgeen vooral de jongere generaties werkenden raakt.
– Om er voor te zorgen dat alle generaties kunnen rekenen op hun pensioen moeten fondsen de verplichtingen berekenen met de risicovrije rente.
– Hebben pensioenfondsen te weinig geld in kas, dan kan dat in het uiterste geval leiden tot het korten van aanspraken en van ingegane pensioenuitkeringen. Dat is vervelend, maar noodzakelijk om het stelsel toekomstbestendig te houden.

Met als toelichting:
Door de berekening van pensioenverplichtingen met de risicovrije rente wordt de betaling van pensioenen ook op lange termijn veilig gesteld. Deze eis uit het financieel toetsingskader in de Pensioenwet heeft alles te maken met het karakter van de Nederlandse pensioenregelingen, op grond waarvan werknemers aanspraken opbouwen met een hoge mate van zekerheid. Toepassing van de risicovrije rente heeft daarbij een praktische betekenis. Ten eerste stelt het fondsen in staat om te allen tijde over te kunnen schakelen op risicovrije beleggingen om de opgebouwde aanspraken veilig te stellen. Zij kunnen zo precies genoeg rendement maken om alle opgebouwde aanspraken met hoge zekerheid te financieren. Ten tweede hebben pensioenfondsen die hun activiteiten staken bij een dekkingsgraad van 100% op basis van de risicovrije rente in beginsel genoeg kapitaal om de verplichtingen aan een verzekeraar over te dragen, zonder de aanspraken te hoeven verlagen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij fondsen, waarvan de achterliggende werkgever er mee stopt.

In deze brief wordt te veel vertrouwen gesteld in de zogenaamde risicovrije rente, waaronder de rente op solide staatsobligaties zoals van Duitsland wordt verstaan. Toch zijn er vraagtekens bij te zetten. Qua terugbetaling zijn momenteel veel landen niet meer zo safe. We denken daarbij niet alleen aan Italië of Griekenland die enige jaren geleden nog als safe golden, maar ook aan Frankrijk of zelfs Nederland. Ook deze risicovrije rente is niet constant over de tijd. In 2006 stond deze op 4,8% en nu op ca. 2,5 %. Voor risicospreiding dient een beleggingsportefeuille altijd divers te zijn. Ook het idee dat bij onverhoopte liquidatie van het fonds de in voorraad zijnde staatspapieren gemakkelijk tegen pari zouden kunnen worden verkocht, is denkbeeldig. Bij een ruim aanbod op de kapitaalmarkt zou de koers van deze papieren waarschijnlijk instorten.

Pensioenfondsen dienen te worden gewaardeerd als een going concern. De gedachte dat vanuit de optiek van het pensioenfonds zou moeten worden gewerkt met een objectieve en uniforme marktrente is ook naïef. Het fonds ABP weet al gedurende vele jaren een gemiddeld rendement te maken van ca. 7%. Waarom moet dit fonds haar toekomstige verplichtingen dan disconteren met een rente van 2,5% ? Dit impliceert een enorme overwaardering van haar verplichtingen en dus een veel te pessimistische dekkingsgraad. Dat leidt dan weer tot de noodzaak tot niet-indexeren, korten en premiestijging , terwijl een en ander helemaal onnodig is. En bovendien alleen maar paniek, veel problemen en onrust bij alle pensioendeelnemers geeft. In 2013 wordt er voor 225 miljoen euro onnodig gekort, terwijl bij 4% rente er helemaal geen korting nodig zouden geweest.

Waarom zou een pensioenfonds überhaupt willen overschakelen op risicovrije beleggingen? Daarmee stel je zeker de opgebouwde aanspraken en speciaal de indexatie niet veilig gezien het lage rendement. Integendeel, dat roept uitkeringsproblemen op en bovendien bestaat risicovrije rente niet. En waarom zou een pensioenfonds zijn verplichtingen moeten kunnen overdragen aan een verzekeraar die een uitkeringszekerheid van 99,5% moet bieden (d.w.z. eens in de 200 jaar kans op een probleem), terwijl pensioenfondsen moeten voldoen aan een zekerheid van 97,5% (d.w.z. eens in de 40 jaar kans op een probleem)? Pensioenfondsen voeren arbeidsvoorwaardelijke regelingen uit en zij zijn géén verzekeraar, maar een coöperatieve non-profit waarborgfonds voor pensioenen. Pensioenverzekeringen bestaan ook, maar die worden geregeerd door andere wettelijke regels. Het beleid van twee totaal verschillende regelingen voor pensioen aan elkaar (willen) koppelen, is onbegrijpelijk, onnodig en niet logisch.
In de bijlage vindt u de actuele nieuwsbrief van de KNVG van 24 februari 2013.
Een aangepast overzicht van de pensioenkortingen per 2 maart 2013 vindt u in de bijlage.