Weblog

Het toverstokje van Agnes Jongerius
donderdag 2 juni 2011

Kees de Vries Kees de Vries

 

Het principeakkoord
Zoals bekend kwamen de werkgeversorganisaties zo’n drie jaar geleden met een rapport “Naar een modern en betaalbaar Pensioen”. Verleden jaar, op 4 juni 2010, werd duidelijk hoe “modern” dat pensioen zou worden en hoe de betaalbaarheid zou worden “veiliggesteld” volgens het toen gesloten principeakkoord van de vakbeweging en de werkgevers. Het was zo “modern” en “betaalbaar” dat de pas aangetreden minister van Sociale Zaken, Henk Kamp dankbaar stelde dat hij met dit akkoord goud in handen had! Het “gehalte” van dit goud werd duidelijker naarmate meer “devil details” (helse hoedanigheden) van het akkoord uitlekten. Kamp zag dit akkoord vermoedelijk meer vanuit het perspectief van overheidswerkgever en minder vanuit zijn functie als minister van “Sociale” Zaken – een belangenverstrengeling waarmee meer mensen moeite mee blijken te hebben.

Ik hoef hier, nu zelfs de FNV-bonden in opstand kwamen, niet uit te leggen hoezeer dit principeakkoord beoogde de belangen van de pensioengerechtigden schaamteloos te verkwanselen:

  • garanties over de hoogte van de pensioenuitkeringen vervielen;
  • de pensioenen zouden op en neer bewegen met de beurskoersen;
  • de premiebijdrage van de werkgevers zou worden gelimiteerd tot een “maximum”.

Kortom, dit akkoord legde alle lasten en risico’s op de schouders van de pensioengerechtigden. In vakbondstermen “Een toekomstbestendig pensioenstelsel voor jong en oud” Hoe zo, belangenbehartiging van de pensioengerechtigden door de vakbonden? Hoe diep kun je als vakbond nog zinken? Over ons en zonder ons wordt weer eens over ons uitgestelde loon beschikt!

Intern overleg
Een negatief advies van de landsadvocaat over de juridische problemen rond deze voornemens droeg niet echt bij aan een prettig onderhandelingsklimaat. De afwijzing door minister Kamp van de in het principeakkoord afgesproken financiële verhoging van de AOW ook niet. De details van dit gerommel in het achterkamertjesoverleg zijn inmiddels genoegzaam bekend. De achterban van de bonden ging zich inmiddels steeds harder roeren toen men door kreeg wat de bedoeling was.
Terwijl de FNV nog met de moed der wanhoop wilde door onderhandelen, schreven zeven prominente vakbondbestuurders in een open brief: “De stekker moet uit dit onderhandelingsproces worden getrokken. Op deze manier zwemmen we in een fuik van het kabinet, de werkgevers en de verzekeraars”. De positie van Agnes Jongerius kwam zelfs ter discussie, het Waterloo van Jongerius? (RTLZ.nl: 05-04-‘11).

Henk van der Kolk van FNV Bondgenoten, de grootste aangesloten vakbond, leidde het verzet binnen de FNV-bonden tegen de gang van zaken. Dat resulteerde in het opschorten van het overleg over de uitvoering van dit akkoord. De vakcentrale FNV stelde begin april jl. twee weken te nemen voor het houden van intern overleg. Een eufemisme voor een ordinaire interne ruzie en een anderhalve maand durend crisisoverleg! Half mei sloot de FNV de rijen; men zou het eens zijn geworden over een nieuw pensioenstelsel – de interne ruzie was opgelost. “Een toverformule is gevonden” zo kondigde een opgeluchte Agnes Jongerius het interne FNV-compromis aan. Er is overeenstemming over de wijze waarop wij een optimale balans kunnen bereiken tussen zekerheid en de kans op indexeren. Als het aan ons ligt kunnen de pensioenfondsen straks hun eigen invulling kiezen. Onze oplossing gaat uit van én zekerheid én indexeren. Dus niet óf óf, maar én én”. Eerder hadden verontruste FNV-leden haar 35 duizend petities overhandigd; de ondertekenaars zijn bezorgd over de risicoverdeling van de pensioenen. Die zouden niet eenzijdig bij de deelnemers moeten liggen.

Hervat overleg
Dankzij deze “toverformule” gaat de FNV de gesprekken met de werkgevers en de minister van “Sociale” Zaken Henk Kamp hervatten. Kamp begon al zijn geduld te verliezen; hij had graag op 4 juni 2011 een definitief akkoord gezien; één jaar na het principeakkoord als “voorbeeld van redelijkheid”.
De hoogte van de AOW is bij het te hervatten overleg agendapunt nummer één. “Daarnaast moeten we praten over de verdeling van de risico’s tussen werknemers en werkgevers, de werkgevers moeten daar medeverantwoordelijk voor blijven”. De huidige bijstortverplichtingen van werkgevers moeten ook in een mogelijk nieuw systeem blijven bestaan, vindt Jongerius. “Dat zijn de eerste punten waarmee ik nu weer naar de werkgevers en minister Kamp ga”.

Je wrijft je ogen uit van verbazing als je dit allemaal hoort en leest. Zaken zoals risicoverdeling en bijstorten die in het huidige stelsel gewoon vastliggen en die via het principeakkoord inmiddels al zijn weggeven! Je vraagt je in gemoede af hoe de bonden zo de weg konden kwijt raken? Maar beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Misschien hebben wij het allemaal verkeerd begrepen, gewoon een kwestie van miscommunicatie.
Een verhoging van de AOW die de loonontwikkeling zou moet gaan volgen (maar qua koopkracht op het niveau van 1980 is blijven steken) en waarvoor minister Kamp zegt slechts beperkt budget te hebben. Op de website van de FNV staat: “Naar verwachting worden het geen eenvoudige onderhandelingen met de werkgevers. Immers, bestaande conceptafspraken zullen op belangrijke punten moeten worden aangepast en daarna moet ook minister Kamp over de brug komen met een extra verhoging van de AOW”.

Een zeer belangrijke uitspraak! Het is te hopen dat Agnes Jongerius behalve de toverformule ook het bijbehorend toverstokje van haar FNV heeft meegekregen, opdat zij de werkgevers en minister Kamp kan betoveren en zo deze terugtocht op verantwoorde wijze te kunnen afronden. Met een nauwelijks geloofwaardige Agnes Jongerius en een verzwakte positie van de FNV in de polder is het goed onderhandelen door de andere “sociale” partners, zeker als die vakcentrale op de in concept overeengekomen principes moet terugkomen! En met een slap poldercompromis zal de gealarmeerde achterban zeker geen genoegen nemen. Geheel in lijn met de toverformule zal Agnes dus niet óf de sociale partners óf de eigen achterban maar én de sociale partners én de eigen achterban tevreden moeten stellen. Voorwaar een uitdagend perspectief! Wordt het dan uiteindelijk toch haar Waterloo zoals het redactionele commentaar van RTLZ.nl begin april jl. al opperde?

Het is triest nogmaals te moeten constateren dat pensioengerechtigden als betrokkenen bij uitstek via belangorganisaties zoals de NBP, de NVOG en dergelijke op allerlei mogelijk manieren proberen de besluitvormers en de media van onze visie omtrent de gang van zaken op de hoogte trachten te stellen, maar in dit macht- en belangenspel van echte zeggenschap zijn uitgesloten. Over ons en zonder ons zijn de pensioengerechtigden afhankelijk van het toverstokje van Agnes Jongerius!

Wat alle pensioenfondsbestuurders moeten kunnen dromen: een opfriscursus
zondag 15 mei 2011

Kees Koedijk, Universiteit van Tilburg en CEPR

Alfred Slager, Universiteit van Tilburg

Politiek en toezichthouders zijn op oorlogspad. Tweede Kamerleden willen berekeningen zien van te weinig betaalde premies, toezichthouder AFM vindt dat fondsen niet kritisch zijn over de kosten. In een vorige week verschenen brief over de resultaten van eigen onderzoek naar beleggingsbeleid constateert DNB dat er misschien voortgang is geboekt, maar dat het beleid nog lang niet is op het volgens haar gewenste niveau. Tevens koppelt DNB hieraan een lijst van aanbevelingen die steeds meer weg hebben van een toezichtskader dat gebaseerd is op starre regels, niet op principes. Alles onder het motto dat het gisteren klaar moest zijn.

Philips lichtend voorbeeld
Maar veranderen kost tijd. Pensioenfondsbestuurders, politiek, AFM en DNB hoeven maar naar Philips te kijken. Het Eindhovense concern maakte mooie producten vol technisch vernuft die niemand kocht, en ingenieurs vroegen zich te weinig af of consumenten wel stonden te wachten op een nieuw strijkijzer. Het Philips concern balanceerde daardoor op de rand van de afgrond toen Jan Timmer in 1990 hard ingreep. Focus op kernactiviteiten werd het sleutelwoord. Opvolgers gooiden de ramen verder open: een klant koopt geen techniek, maar een dienst. In 2004 kwam topbestuurder Boonstra niet voor niets met de leus “Sense en Simplicity”. Met de aangekondigde verkoop van de televisietak heeft Philips na ruim twintig jaar een strategische transformatie succesvol afgerond, met tevreden klanten en aandeelhouders in het kielzog.

Twintig jaar is een lange periode, maar het zou van realisme getuigen om zo’n periode uit te trekken voor de professionalisering van de pensioensector. Het goede nieuws is dat bestuurders halverwege zijn. Het goede nieuws is verder dat organisaties als Philips laten zien wat nog gedaan moet worden: complexiteit verminderen en activiteiten stroomlijnen. Zoeken waar het eenvoudiger kan, in plaats van complexer. Met andere woorden: bestuurders zouden een pensioenfonds moeten aansturen als een onderneming, met heldere uitgangspunten bij hun beleggingen. Het slechte nieuws is dat politiek en toezichthouders hun realiteitszin op dit vlak verloren schijnen te zijn en haast hebben.

Gratis opfriscursus
Uit ons onderzoek (Koedijk en Slager, 2011) blijkt dat aan de bestuurderstafel vaak steeds dezelfde debatten worden gevoerd over beleggingen, zonder daar messcherpe keuzes in te maken. Fondsen die daar halfslachtig mee omgaan, geven ruimte aan de vermogensbeheerder, en introduceren gaandeweg ongewenste complexiteit en raken soms zelfs stuurloos. Zover hoeft het niet te komen  Daarom introduceren we de opfriscursus voor de pensioenfondsbestuurder aan de hand van zeven overtuigingen. Wij noemen het overtuigingen omdat in beleggingen niets zeker is, en het uiteindelijk draait om wat je aannemelijk vindt en waar je als bestuur in gelooft. De overtuigingen  helpen de bestuurders knopen door te hakken, het gesprek met hun beleggers en deelnemers op gang te helpen en zo het pensioenfonds meer als een onderming aansturen.

Overtuiging 1: Eenvoud loont: governance en strategieën moeten bij elkaar aansluiten.
Als pensioenfonds beleggen we geld van derden. Wij zijn een financiële instelling en ons bestaan hangt af van het blijvende vertrouwen van onze deelnemers. Hoe complex, innovatief of aantrekkelijk een belegging ook is, we moeten er altijd volledig verantwoording over kunnen afleggen. Als we van tevoren weten dat we dat niet kunnen, moeten we het laten, hoe verleidelijk de belegging ook is. Onze governance, ons beleggingsproces en ons risicomanagement weerspiegelen alle kenmerken van onze beleggingsbeslissingen en de producten en strategieën die we kiezen.

Overtuiging 2: De strategische allocatie van beleggingen is de belangrijkste beslissing in het beleggingsproces.
Dit is regel 2 uit het handboek voor beleggers en moet juist daarom goed worden begrepen en gekoesterd: de assetmix is verreweg de belangrijkste factor in de verdeling van risico en rendement. Dit inzicht stamt uit de jaren vijftig en geldt nog steeds. Om die reden dienen pensioenfondsbestuurders en beleggingscommissies zich te concentreren op de samenstelling van de strategische beleggingsmix, op basis van verschillende scenario’s te beoordelen of deze tegen schokken bestand is, en zich af te vragen of een nieuwe strategie werkelijk tot grotere diversificatie leidt. Dit zijn simpele vragen, maar van het allergrootste belang voor de financiële positie van het fonds op lange termijn.

Overtuiging 3: Passief is de basis, actief een optie.
Een klassieke splijtzwam voor beleggers is passief beleggen – zo goed mogelijk een index nabootsen – versus actief beleggen; bewust afwijken van een index om extra verwacht rendement te halen. De belangrijkste boodschap luidt: we beleggen standaard in passieve beleggingsstrategieën. Dat is saai voor het pensioenfonds en jammer voor de vermogensbeheerder, maar goedkoop en goed nieuws voor de deelnemers. We volgen alleen een actieve strategie als we echt snappen weten op welke slimme inzichten die gebaseerd is. Wat ziet de vermogensbeheerder dat de duizenden anderen niet zien? En is hij in staat dit in klinkende munt om te zetten?
Maar zelfs als de antwoorden hierop bevestigend zijn, dan nog dienen we ons te realiseren dat de kans dat wij een uitstekende beheerder selecteren, klein is. Als bestuur zijn we namelijk bewust van het risico van zelfoverschatting

Overtuiging 4: Kosten bepalen het nettorendement.
Onze intuïtie zegt – terecht – dat lagere kosten onder verder gelijke omstandigheden een hoger nettorendement opleveren. Kosten staan vast, rendementen niet. Uit talrijke onderzoeken naar rendementsbepalende factoren blijkt dat kosten een zeer belangrijke factor vormen. Als een pensioenfonds moet kiezen tussen twee vergelijkbare beleggingen, dan is het altijd raadzaam die met de laagste kosten te nemen. In de praktijk zullen pensioenfondsbestuurders echter niet vaak voor zulke duidelijke afwegingen worden gesteld. Eén ding is echter wel zeker: hoge kosten zijn geen garantie voor goede prestaties van de vermogensbeheerder; het tegendeel is eerder waar. Daarom moeten pensioenfondsbestuurders altijd proberen alle aan een belegging verbonden kosten boven tafel te krijgen (en vooral goed letten op verborgen kosten) en transactiekosten zo veel mogelijk te vermijden.

Overtuiging 5: Slechts een klein aantal risicopremies is de moeite waard.
Risicopremies – het extra verwachte rendement als belegd wordt – van beleggingen zijn onzeker en niet allemaal gelijk. Sommige risico’s overkomen ons (inflatie, rente, langleven), andere gaan we vrijwillig aan (aandelen, illiquiditeit). Wij weten dat risicopremies op lange termijn nooit zeker zijn en we sussen ons niet in slaap door te zeggen dat “alles op termijn weer goed komt”. We moeten in kaart brengen welke risico’s we bereid en in staat zijn te nemen en wat we daarvoor minimaal in ruil verwachten. Zo zouden we kunnen besluiten dat we de kennis in huis hebben om met aandelen extra rendement te verdienen, maar dat we het valutarisico toch liever niet lopen.

Overtuiging 6: We stappen alleen in als we hebben afgesproken wanneer we weer uitstappen.
We weten dat de financiële markten, en wijzelf trouwens ook, bepaalde neigingen en voorkeuren hebben. We proberen te voorkomen dat we fouten nogmaals maken door van tevoren vast te leggen wat wij van een belegging verwachten, hoe deze in onze beleggingsovertuigingen past, hoe en wanneer we de resultaten evalueren, en vooral welke omstandigheden aanleiding geven om weer uit de belegging stappen. Dit is een integraal onderdeel van ons governanceproces; we doen dit om van onze fouten te leren, onze processen te verbeteren en (menselijke) fouten te voorkomen.

Overtuiging 7: Duurzaamheid biedt kansen, geen verplichtingen.
Als onze deelnemers dat belangrijk vinden, moeten wij veel aandacht schenken aan de integratie van maatschappelijke, ethische en/of milieunormen in ons beleggingsbeleid. Wij laten ons daarbij leiden door verstandig risicomanagement. We zijn in staat de toekomstige risico’s (van het lang aanhouden van beleggingen) tot een minimum te beperken en daardoor op termijn meerwaarde voor het fonds (en dus voor de deelnemers en andere belanghebbenden) te creëren. We passen zowel negatieve als positieve screening toe bij de keuze voor de meest duurzame beleggingsstrategieën. Goed geleide markten en bedrijven dragen bijvoorbeeld bij aan een goed rendement.

Beleggen zelf kan misschien complex zijn, maar de aansturing en uitgangspunten kunnen eenvoudig zijn. Het starterspakket helpt hierbij. Pensioenfondsbestuurders moeten hiervoor wel de ruimte krijgen. In plaats van meer regels af te vuren, zouden bestuurders en politiek en toezichthouders er goed aan doen om besturen de tijd te geven helder te krijgen wat echt van belang is voor de aansturing van het pensioenfonds. Sense en simplicity loont, ook voor pensioenfondsen en hun deelnemers.

* Dit artikel is gebaseerd op het boek van Kees Koedijk en Alfred Slager, 2011, Beleggen met visie. Handboek voor beleggers, bestuurders en beslissers, dat onlangs is verschenen bij uitgeverij Balans, Amsterdam.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit
Me Judice: Kees Koedijk en Alfred Slager, 2011, “Wat alle pensioenfondsbestuurders moeten kunnen dromen: een opfriscursus”

Tips om je weer eens lekker te ergeren
dinsdag 26 april 2011

Joop van Vliet Joop van Vliet

Omdat ik mij verschrikkelijk kan ergeren over wat Wim Kok, voordat hij tot inzicht kwam, zo treffend omschreef als ‘exhibitionistische zelfverrijking’ surf ik wel eens op internet met de zoekwoorden: graaien, bankiersbonus, gouden handdruk, kantonrechtersformule en meer van dergelijke termen. Dat levert vaak opmerkelijke resultaten op. Ook kun je zoeken op de namen van mensen, die weer eens een forse bonus, ongetwijfeld zeer terecht verdiend – volgens het jaarverslag althans, hebben gekregen. Een van de sites waarop je dergelijke gegevens kunt vinden in fraai opgemaakte tabellen is die van www.1meikomitee.net/ waarop met enige regelmaat de jongste ontwikkelingen terug te vinden zijn. Maar ook het graven in jaarverslagen is vaak interessant vooral de manier waarop bepaalde dingen worden toegelicht is zeer onthullend. Aan het jaarverslag over 2010 van Nutreco (diervoeding en visvoer) ontleen ik de volgende tabel.

Het zijn geen uitzonderlijke bedragen, althans na het zien van jaarverslagen met veel hogere beloningen voor hun topmensen de CEO’s en de figuren die bij hen aan de vergadertafel mogen zitten, zoals de man (het zijn bijna altijd mannen) belast met de financiën, de CFO en bij veel financiële ondernemingen aanzienlijk meer verdienen dan topman Wout Dekker van Nutreco. Neen Nutreco betaalt niet echt veel naar de maatstaven van Shell of bank J.P. Morgan.
Waarom dan Nutreco er uit gelicht? Welnu juist omdat het zo’n gemiddeld groot bedrijf betreft, is de verklaring die men in het (alleen Engelstalige) jaarverslag geeft van de salarispolitiek zo onthullend. Er staat vertaald ongeveer: “Uit onderzoek door een extern adviseur in december 2009 bleek dat de nieuwe mensen in de directie minder dan marktconform werden gehonoreerd. Dat gold ook voor de CEO en de CFO“.
Het resultaat is dat de directiesalarissen met 20 procent stegen (van 330 tot 395 duizend euro per jaar), de CEO er een miserabele 34.000 euro bijkreeg en daarmee op 605 duizend euro uitkwam en het salaris van de CFO van 418,200 euro naar 440.000 euro werd opgetrokken. Als u die cijfers niet in bovenstaande tabel kunt terugvinden, ligt dat niet aan mij. maar aan Nutreco en moet u daar op de aandeelhoudersvergadering vragen over stellen.
Waar het mij omgaat is het principe dat wordt gehanteerd. Bedrijf A kijkt naar het gemiddelde van de verdiensten bij vergelijkbare bedrijven en constateert dat men daar X procent onder zit. Daarop volgt de “correctie”, waarop andere bedrijven tot hun ongenoegen constateren dat zij onder het nieuwe gemiddelde zitten en corrigeren weer. Als het alleen om deze spiraal en een jaarlijkse vergelijking zou gaan, viel het nog mee. Maar iedereen kent iedereen in die wereld waarin je je niet kunt veroorloven een te laag betaalde ‘loser’ te zijn. Dus hebben we niet met een langzame ontwikkeling te maken maar met een loonexplosie, pardon … dat platte woord ‘loon’ mag ik niet gebruiken. Deze heren verdienen geen lonen, maar ontvangen salarissen, liever nog eregelden of honoraria.

En nu weet u meteen waarom NRC Weekend van 23 april kan koppen:
Topbestuurder krijgt weer 30 procent erbij boven een artikel van een gezamenlijk onderzoek door NRC en VEB naar de beloning van bestuurders van 25 beursgenoteerde bedrijven. Dat kunt u trouwens zelf ook, daar hebt u de VEB of de NRC waar u voor de informatie moet betalen, niet bij nodig. Zoekt u bijvoorbeeld op ‘Shell jaarverslag 2010′ dan kunt u vrijwel meteen downloaden SHELL_AnnualReport_2010_EN.pdf en hebt u, in het Engels dat wel natuurlijk, wat u zocht. U kunt dan lezen dat Wim Kok 4.000 aandelen klasse A in Shell had en die van klasse A zijn kennelijk beter dan die van klasse B.
Even verder leest u dat de hoogste baas maximaal een bonus van 150 procent van het jaarsalaris mag ontvangen en zijn directe onderknuppeltjes slechts 110 procent. Maar eh … zegt u nu. In Nederland is het toch maximaal 100 procent. Nu op dat probleem heeft men vast wel iets gevonden bij Shell.
De volgende tabel laat zien dat de heren overigens, zelfs als de huidige Nederlandse bepalingen worden gevolgd, weinig tekort zullen komen.

Shell: Basis-salaris van de huidige directie in euro’s
Peter Voser 1.550.000 +3,3% per 1/1-2011
Malcolm Brinded 1.175.000 +0,0% per 1/1-2011
Simon Henry 890.000 +4,7% per 1/1-2011

Gelukkig krijgt meneer Henry er in 2011 4,7 procent bij ofwel 41.830 euro en hoeft zijn vrouw dus niet meer elk dubbeltje twee keer om te draaien.

En zo kunnen we doorgaan. Bijvoorbeeld bij instellingen die het van publiek geld moeten hebben (alhoewel krijgt Shell ook niet veel baten uit het aardgas onder Slochteren?) zoals woningcorporaties, charitatieve instellingen en dergelijke. Die bedragen zijn natuurlijk lang niet zo spectaculair ook al liggen sommige ver boven de Balkenendenorm.
Maar ook daar kunt op zoeken, want de meeste van die instellingen publiceren ook een jaarverslag. En als daar geen bedragen in worden genoemd? Of als ze de directeur, zijn secretaresse, de koffiejuffrouw en de beheerder van de bezemkast bij elkaar tellen? In dat geval gaan ze van mijn lijstje van goede doelen af.

Ons pensioenstelsel – aanzet tot een discussie
dinsdag 15 maart 2011

Joop van Vliet Joop van Vliet

Ondanks alle terechte kritiek op het pensioenakkoord is het duidelijk dat het huidige stelsel op termijn niet te handhaven is zonder min of meer ingrijpende wijzigingen. De zorgvuldigheid vereist dat er daarom eerst een goede analyse wordt gemaakt van een aantal belangrijke zaken, te weten:

  1. Vergroting van het maatschappelijk draagvlak.
    Het is duidelijk dat de solidariteit van jong naar oud nog verder onder druk komt te staan als enerzijds de onzekerheid over de hoogte van de toekomstige uitkeringen groter wordt en anderzijds de te betalen premies hoger worden. Daarbij speelt verder een rol dat de pensioenopbouw gerelateerd aan de betaalde premie bij jongeren lager is dan bij ouderen. Datzelfde geldt, eigenlijk nog sterker, voor de perverse solidariteit tussen lager opgeleide en hoger opgeleide vrouwen, waarbij de verschillen in levensduur een zeer grote rol spelen.
  2. Het aanvaardbare minimum aanvullend pensioen en de AOW als basispensioen
    Het gaat hierbij om het totaal van AOW-uitkering en aanvullend pensioen. Beide kunnen bijvoorbeeld worden uitgedrukt als percentage van het minimumloon. Omdat ook de toekomstige houdbaarheid van de AOW ter discussie staat, kunnen beide componenten niet los van elkaar worden beschouwd.
  3. De maximale pensioenpremie in procenten en geld, samen met premies sociale verzekering en de maximale zorgpremie
    Het is te simpel om te stellen dat een premiepercentage van X procent voor het aanvullend pensioen als maximaal moet worden gezien. Als de premies sociale verzekeringen (omslagstelsel) omhoog gaan en/of de nominalezorgpremie en/of de inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorg stijgen, wordt het besteedbaar inkomen lager en daalt daardoor dus ook de bestedingsruimte in procenten.
  4. De gewenste mate van zekerheid
    Het zal duidelijk zijn dat de gewenste mate van zekerheid nauw verbonden is aan de hoogte van het pensioen en het (leeftijdsgebonden) bestedingspatroon van de gepensioneerde. In het algemeen echter zal de behoefte aan zekerheid groter zijn naarmate het pensioen lager is.
  5. De Europese en nationale regelgeving
    In een aantal gevallen bijten de Europese regels en de Nederlandse regelgeving elkaar. Onze nationale regelgeving is gebaseerd op de in het verleden geformuleerde wenselijkheden en gedane toezeggingen, maar vooral ook op de verplichting tot deelname in een door de werkgever gekozen pensioenfonds. Dat laatste is een vorm van gedwongen winkelnering, die terecht door Europa wordt afgekeurd.

Andere kernpunten
Als belangrijkste kernpunt kan worden gezien het te verwachten rendement van de opgebouwde pensioenvermogens. Dat rendement en ook de te verwachten inflatie zullen voor een goed deel bepalend zijn voor de ‘kostendekkende‘ pensioenpremie in relatie tot de gewenste mate van zekerheid.
Hoe hoger het te verwachten rendement uitgaat boven de te verwachten inflatie, des te lager zal de kostendekkende pensioenpremie hoeven te zijn. Overigens is het vrij eenvoudig om naast het gebruikelijke brutorendement (opbrengst in procenten) en nettorendement (opbrengst in procenten verminderd met transactie en beheerskosten) een netto-nettorendement te definieren waarbij het netto-rendement wordt verminderd met het actuele inflatiepercentage.
Stel bijvoorbeeld dat het inflatiepercentage 1,5 procent is en de beheerskosten 2 procent bedragen dan blijft er bij een gemiddeld brutorendement van 7,5 procent een netto-nettorendement (nnr) van 4 procent over. Het gebruik van dat nnr maakt de verdere berekenigen aanzienlijk eenvoudiger.

Overigens is ook het vaststellen van het juiste inflatiepercentage dat moet worden toegepast, geen sinecure. Het is voor de objectieve beschouwer duidelijk dat dat inflatiepercentage doelgroepafhankelijk hoort te zijn en dus niét gelijk kan zijn aan het algemene indexatieppercentage. Ouderen, en die vormen immers de doelgroep voor de pensioenuitkeringen, hebben een ander uitgavenpatroon dan jongeren. Bovendien mogen in dat inflatiepercentage ook de kostenstijgingen voor geriatrische zorg buiten beschouwing blijven evenmin als de stijging van de lasten die door de lagere overheden worden opgelegd.

Een verder punt van overweging is of een eventuele indexatie (die zal nodig zijn in verband met de gewenste vergroting van de zekerheid) welvaartsvast dan wel waardevast dient te zijn.

Tenslotte, alhoewel deze opsomming van overige kernputten niet uitputtend is, kan de vraag worden gesteld of het wel nodig is om boven een bepaalde grens (zeg drie keer modaal) nog verplicht pensioen op te bouwen, als er al sprake dient te zijn van een dergelijke verplichting.

Bijkomstige overwegingen
Verplichte deelname aan een pensioenfonds hoeft niet noodzakelijkerwijze te betekenen deelname aan een aangewezen pensioenfonds, maar kan wel degelijk keuzevrijheid tussen een niet al tte klein aantal pensioenfondsen betekenen.

Schaalvoordelen maken het aantrekkelijk dat in vergelijkbare gevallen voor een vergelijkbare pensioenregeling kan worden gekozen. Dat betekent dat aan het aantal van deze regelingen per pensioenfonds een bovengrens moet worden gesteld. Maatwerk lijkt misschien aantrekkelijk maar is uit overwegingen van kostenefficientie niet gewenst.

Omdat schaalvoordelen boven een bepaalde grootte van het fonds niet langer wezenlijk toenemen en ook de mate van bestuurbaarheid van een groot fonds afneemt, is er een optimale fondsgrootte (waarbij de bandbreedte overigens vrij groot zal zijn) en in dat kader lijkt het door Joanne Kellerman (DNB) genoemde aantal van maximaal 100 pensioenfondsen die het gezamenlijke pensioenvermogen ca. 800 miljard euro beheren, voor ca. 8 – 10 miljoen aangeslotenen (deelnemers, ex-deelnemers en gepensioneerden – zonder dubbeltellingen) niet van realiteitszin verstoken. Dat betekent dat een gemiddeld pensioenfonds voor 80-100 duizend aangesloten ongeveer 8 miljard aan pensioenvermogen beheert ofwel in doorsnee zo’n 80 tot 100 duizend euro per aangeslotene.

Een andere belangrijke ‘bijkomstigheid’ is de vraag of er nog plaats is voor commerciele pensioenverzekeringen? En zo ja, voor welk stelsel kiest men dan? Hoewel de meeste pensioengerechtigden voor de grotere zekerheid van het DB-stelsel zullen kiezen, moet de wenselijkheid om ook deelname aan een DC-stelsel mogelijk te maken niet worden uitgesloten. Het gaat namelijk om de keuzevrijheid (binnen grenzen) van de deelnemer.

In samenhang met de voorgaande overweging kan ook de wenselijkheid van een bovengrens aan de pensioenverplichting worden gezien. Het is goed denkbaar dat tot een bepaalde grens een DB-stelsel de voorkeur geniet en boven die grens een DC-stelsel beter wordt geacht.

Conclusie
Uit de voorgaande beperkte opsomming blijkt al dat er veel moet gebeuren om voor Nederland een betaalbaar, aanvaardbaar en houdbaar pensioenstelsel te kunnen garanderen. Het zogeheten ‘pensioenakkoord’ is, ondanks de vele bezwaren die daar tegen zijn, in elk geval een eerste stap. Maar bij die eerste stap kan en mag het niet blijven. Het wordt hoog tijd dat er een fundamentele discussie komt over de pensioenen, de pensioenfondsen, ‘pension fund governance’, de zeggenschap en vooral ook de mate waarin fondsbestuurders competent zijn en welke eisen aan die competentie gesteld moeten worden.
Tot die competentie horen overigens niet alleen de kundigheid van de bestuurder maar vooral ook zijn of haar integretiteit, onafhankelijkheid, openheid en communicatievermogen.

Hoorzitting of schokdemper ?
zondag 6 maart 2011

Leo van Heesch Leo van Heesch

De Zembla-uitzending van 5 februari heeft veel stof doen opwaaien. Als door een wesp gestoken reageerden de koepels van de pensioenfondsen.

Het programma had, omdat andere pensioenadviseurs hun goede relaties met de pensioenfondsen niet op het spel wilden zetten, uiteindelijk het bureau van Frits Bosch in Nuenen bereid gevonden op basis van een aantal aannames berekeningen uit te voeren.

Op de eerste plaats, wat hebben de pensioenfondsen gemist door veel te lage premievaststelling en gegraai van werkgevers in de pensioenpotten. Onthullend was de vanzelfsprekendheid van oud-minister Ruding die dat gegraai in de eigendommen van de werknemers en gepensioneerden ten behoeve van de schatkist verdedigde.

Omdat ik niet beschik over het rapport kan ik niet beoordelen of de berekeningen van bureau Bosch en het eindresultaat helemaal juist zijn. Door het rumoer over die uitkomst dreigen echter de onderliggende feiten uit het zicht te verdwijnen.

Wat ik wel kan beoordelen is het feit dat bijvoorbeeld bij het ABP op 1 januari 1996 ruim 25 miljard euro zijn gestolen. Dit bedrag is ook toegegeven door prof. Frijns die toentertijd in de positie was dit bedrag te kunnen beoordelen. Als wij die 25 miljard hadden laten renderen tegen de gemiddelde 6,3% die de pensioenfondsen in de afgelopen 20 jaar hebben gerealiseerd, dan had het ABP nu 63 miljard meer in kas gehad.

Soortgelijke zaken hebben zich ook bij andere pensioenfondsen voorgedaan en als je in staat zou zijn al die bedragen bij elkaar op te tellen, dan is duidelijk dat alleen al hierdoor de pensioenfondsen nu niet in problemen zouden zitten

Dan hebben wij het nog niet over de premies die onverantwoord laag werden vastgesteld. Op een gegeven moment was de premie bij het ABP ruim 8% terwijl 20% actuarieel vereist was. Dus er werd minder dan de helft premie afgedragen dan eigenlijk verantwoord was. Als je al die gemiste premies ook nog eens doorberekent, dan kom je tot een duizelingwekkend bedrag. Met name op dit onderdeel van de berekeningen schijnen de pensioenkoepels en hun belanghebbende secondanten het vuur te hebben geopend.

Volgens de berekeningen van het bureau Bosch hebben ook de beleggingen minder gerendeerd dan eigenlijk zou moeten. Nu ligt dat er maar aan waar je de resultaten mee vergelijkt (Benchmark heet dat in beleggersjargon). De hulptroepen van de pensioenkoepels Robeco en Ortec Finance beweren dat de pensioenfondsen zelfs beter hebben gepresteerd dan de Benchmark. Voor mij blijft, dat ook de onafhankelijke commissie Frijns heeft geconstateerd dat er bij de kredietcrisis nog 20 miljard lager is gepresteerd dan eigenlijk verwacht had mogen worden.

Zoals gezegd de exacte uitkomsten van de berekeningen kan ik wegens het ontbreken van het rapport niet beoordelen, maar de algemene trend die er aan ten grondslag ligt is zonder meer juist. En wat ik wel kan beoordelen zijn de gevolgen van al dat wanbeleid. Daardoor zijn de pensioenfondsen in de situatie gekomen dat ze kwetsbaar werden. De gevolgen van de internetcrisis en kredietcrisis konden niet meer worden opgevangen. Voor het programma “Kassa” heb ik twee opeenvolgende jaren berekend dat de koopkracht van de gepensioneerden in een glijvlucht terecht is gekomen, die de eerste 15 jaar niet gerepareerd zal worden. Berekeningen overigens waar de betrokken pensioenfondsen geen gefundeerd weerwoord op hadden.

Maar wij hoeven geen 15 jaar te wachten om de ellende te overzien. Nu al lopen de gepensioneerden bij het ABP een maandloon (7,97%) per jaar mis in vergelijking met de werkenden en dat wordt van jaar tot jaar erger. In de afgelopen jaren lopen zij al drie maandlonen achter die ze ook never nooit meer terug zullen zien. Het ABP is nog niet eens het ergste pensioenfonds. Er zijn pensioenfondsen waar nog veel langer niet is geïndexeerd en waar nu zelfs kortingen dreigen.

In al het lawaai rond de cijfers dreigt een ander belangrijk aspect van de Zembla-uitzending buiten het gezichtsveld te raken. De deskundigheid van de pensioenfondsbestuurders. De toezichthouder van De Nederlandsche Bank mevrouw Kellerman maakte er in de uitzending al wat kritische opmerkingen over. Zembla had verder een ex werknemersvoorzitter van een pensioenfonds gevonden die eerlijk wilde vertellen dat hij er geen verstand van had. Een of twee keer per jaar kwam er een mijnheer iets vertellen over ALM-studies en Z-scores. Je kon aan de ogen van de man zien dat hij dacht “Gooi het maar in mijn pet”. Hoeveel pensioenfondsbestuurders zijn er niet net zo ondeskundig maar zullen dat nooit toegegeven? Niet voor niets is het slecht afgelopen met het pensioenfonds van het FNV. Datzelfde FNV dat de hofleverancier is van pensioenfondsbestuurders.

In het kader van rampenbeheersing heeft Pieter Omtzigt van het CDA een hoorzitting in de Tweede Kamer georganiseerd. Als u zou denken dat daar ook belanghebbenden bij zijn uitgenodigd dan moet ik u teleurstellen.

Uitgenodigd zijn naast Frits Bosch en mevrouw Kellerman, de heer van Dam, oud directeur van de Pensioen- en Verzekeringskamer, de organisatie die toentertijd toezicht had moeten houden. Verder de heer Frijns van de commissie Frijns en in het verleden directeur bij het ABP. Vervolgens de hulptroepen van de pensioenkoepels, Robeco en Ortec Finance die grote belangen hebben bij de pensioenfondsen. Tenslotte mevrouw Kemna, beleggingsdeskundige en lid van de Raad van Bestuur van het APG.

Dus helaas geen Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen, geen Nederlandse Vereniging van Organisaties van Gepensioneerden, geen Centrale van Samenwerkende Ouderenorganisaties.

Ik ben bang dat door de aanvallen op de cijfers door belanghebbende deskundigen de onderliggende feiten uit het zicht verdwijnen en de Tweede Kamer weer kan overgaan tot de orde van de dag.

Leo van Heesch
Waarnemend voorzitter NBP

Knollen voor citroenen
zondag 23 januari 2011

Leo van Heesch Leo van Heesch

Onbegrijpelijk ! Het is niet te vatten !
Enkele jaren geleden schreef ik een artikel over het rapport van de werkgevers over de toekomst van ons pensioenstelsel. Zij wilden lagere premies en geen enkel risico meer.
Goed van vertrouwen als ik ben schreef ik toen dat de vakbeweging daar nooit mee akkoord zou gaan. Kennelijk ben ik niet alleen goed van vertrouwen maar ook nog naïef.

Al bijna een jaar sleutelen de werkgevers en de vakbeweging aan een zogenaamd “pensioenakkoord” Sinds kort sleutelt minister Kamp mee en de drie partijen hopen voor de statenverkiezingen de zaak rond te hebben.

Het enige positieve van het ‘akkoord‘ is het voorstel om de AOW wat te verhogen. Werkgevers en vakbeweging waren het daar snel over eens, want dat kost hen niets; wij (alle belastingbetalers dus) mogen betalen. Minister Kamp is daar nu nog niet mee akkoord, maar daar wordt – al lobbyend – aan gewerkt.
De verhoging van de AOW werd in de ‘ledenraadpleging’ door de vakbonden als eerste genoemd. Niet vreemd omdat zorgvuldig werd verzwegen dat het om een sigaar uit eigen doos ging De ouderen kost het twee sigaren want tegelijkertijd worden de ouderenkortingen en toeslagen lager.

Maar behalve de AOW-leeftijd wordt ook de pensioenleeftijd in gelijke mate verhoogd en periodiek gekeken of een verdere verhoging volgens de sociale partners nodig is (lees: het de werkgevers en vakbonden toevallig beter uitkomt). Dat doet mij denken aan een denktank waaraan ik deelnam. Daar was ook een vertegenwoordiger van de werkgevers. Die was op dat moment helemaal niet voor de verhoging van de AOW-leeftijd, eerst moest het ontslagrecht zijn geregeld. Met andere woorden, de mensen moeten wel later met pensioen, maar de werkgever moet eerst gemakkelijker van zijn oudere werknemers kunnen afkomen.

De raadpleging van de vakbondsleden wordt pure misleiding door te stellen dat de werknemer de keuze heeft om door te werken of gewoon met zijn 65e te stoppen maar dan met een iets lagere uitkering. Nou die iets lagere uitkering betekent dat je zowel bij de AOW als bij het pensioen 13% minder krijgt zo lang als je leeft.

De misleiding wordt valsheid in geschrifte als bij de raadpleging van de vakbondsleden gesteld wordt: De stijging van de pensioenpremie wordt afgeremd, dat is goed voor de koopkracht van de werkenden. De keiharde werkelijkheid is dat werkgevers, door het vastleggen van een premiemaximum geen enkel risico meer lopen over het rendement van beleggingen, de stijging of daling van de rente. Ook het (risico van) langer leven is geheel voor rekening van de deelnemers. Dat nadeel wordt aan de vakbondsleden verkocht alsof het goed zou zijn voor hun portemonnee. Je moet maar durven.

De pensioenpremie wordt historisch hoog genoemd – een leugen, want in de jaren tachtig waren de premies vaak veel hoger. Kennelijk zijn de vakbonden absoluut niet geïnteresseerd in wat de huidige werknemers willen. Uit recent onderzoek van De Nederlandsche Bank blijkt dat werknemers bereid zijn tot 5% meer premie te betalen voor de zekerheid van een goede oudedagsvoorziening. In het FD van 18 januari rekent Johan Nieuwersteeg uit dat in de meeste gevallen met minder dan vijf procent kan worden volstaan om die garantie te kunnen afgeven. Wat let de vakbeweging om elk jaar een kwart van de loonruimte die er is, hiervoor te bestemmen.

Tenslotte mogen ook reeds gepensioneerden opnieuw een bijdrage aan het paradijs van de werkgevers leveren. Middel … het korten op de indexaties. De achterstand op de werkenden is de afgelopen jaren al behoorlijk opgelopen, maar daar mag voor de partners in crime best nog een flinke schep bovenop.

De regering, de werkgevers en de vakbeweging zijn geheel en al verantwoordelijk voor het plunderen van de pensioenpotten in de jaren ’90 van de vorige eeuw en het in strijd met alle actuariële regels vaststellen van veel te lage premies in diezelfde periode. Dat is de oorzaak van de rampzalige staat van de meeste pensioenfondsen. Kennelijk is het nog niet genoeg en moet het stelsel waar wij eens zo trots op waren en zoveel vertrouwen in hadden nog verder naar de ratsmodee worden geholpen.

Het is treurig dat de vakbeweging dit verkoopt als een poging om ons pensioenstelsel te behouden. Het is pure volksverlakkerij. Wij gaan daartegen actie ondernemen. Wij laten ons geen rad voor ogen draaien. Wij hebben indertijd de volle mep betaald voor een onvoorwaardelijk inflatiebestendig en soms zelfs welvaartsvast pensioen. De (a-)sociale partners van de Stichting van de Arbeid zijn de raddraaiers, die eerst onze pensioenvermogens hebben verkwanseld en nu de rest van het pensioengebouw willen afbreken. Inplaats van onze duurbetaalde citroenen krijgen we knollen voorgeschoteld. Dat pikken we niet. Dan zijn de rapen gaar.

Actie !       Actie !       Actie !

Wilt u meedenken over en meedoen aan een actie tegen het pensioenakkoord en geen knollen voor citroenen accepteren, stuur dan een kort mailtje naar:
info@pensioenbelangen.nl

Leo van Heesch
Waarnemend voorzitter NBP

PS
Bedenk wel dat Piet Hein Donner in het kabinet Balkenende IV minister van sociale zaken was, met pensioenen in zijn portefeuille. Nu is hij als minister van Binnenlandse Zaken de grootste werkgever van Nederland, die beperking van de pensioenpremies als belangrijk middel ziet om aan de bezuiniginseisen van het kabinet te voldoen.

Hoera, alweer een partij er bij!
donderdag 13 januari 2011

Joop van Vliet Joop van Vliet

Leve 50-PLUS dus?
Op 10 januari kondigde 50PLUS (voluit: OokU 50PLUS) aan in alle provincies mee te doen aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten op 2 maart 2011. Die verkiezingen zijn nu extra belangrijk omdat het kabinet Rutte nu geen meerderheid heeft in de Eerste Kamer. Zoals bekend worden via de Statenverkiezingen indirect ook de leden van de Eerste Kamer gekozen. Als Rutte c.s. ook in de Eerste Kamer niet op een vaste meerderheid kan rekenen wordt regeren nog moeilijker voor het kabinet dan het nu al is. Lijsttrekker van 50PLUS Jan Nagel, wil hier op inspringen. Volgens de peilingen van Maurice De Hond zou de partij wel eens 3 of 4 zetels in de Eerste Kamer kunnen verwerven (ca 5 procent van de stemmen) maar zelfs met 1 stem in de Eerste Kamer kan 50PLUS een doorslaggevende positie krijgen in de senaat. De 75 leden van de Eerste Kamer worden eens in de vier jaar ‘getrapt’ gekozen door de leden van Provinciale Staten Dit gebeurt binnen drie maanden na de Provinciale Statenverkiezingen. De partijen kunnen sinds 2010 geen lijstverbindingen meer aangaan. De stemmingen vinden in alle Statencolleges plaats om 15.00 uur. De verkiezingen voor de Eerste Kamer vinden plaats op 23 mei 2011. In alle 12 provincies doet de partij 50PLUS dus mee. In Noord-Holland voert Professor Dr. Kees de Lange, onze ex-voorzitter, de lijst aan.

Een echte ouderenpartij?
Moeten we nu blij zijn met deze nieuwe partij, die door de pers een ‘one-issue’-partij wordt genoemd? Ook al omdat vaak wordt gerefereerd aan het feit dat tot dusver de ‘ouderenpartijen’ door onderlinge twisten ten onder gingen. Laten we maar beginnen met vast te stellen dat op papier de meeste partijprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen weinig goeds in petto hadden voor ouderen. Alleen de SP en de PVV zeiden een betere positie voor ouderen op financieel gebied (geen Bosbelasting, hogere AOW) en het terrein van de zorg te willen nastreven. Wilders’ PVV heeft die punten echter laten vallen toen het er op aankwam gedoogsteun te verlenen aan het VVD-CDA-kabinet. Met ouderen hebben Rutte en de zijnen geen compassie, integendeel ouderen worden relatief het zwaarst getroffen door de bezuinigingen ook al blijkt dat niet zozeer uit de (zwaar vertekende) inflatiecijfers van het CBS.

Ouderenbelangen geen issue
Het gat dat de meeste politieke partijen hebben laten vallen (de belangen van ouderen) gebruikt de partij van Jan Nagel en een groot aantal vooraanstaande bekende en minder bekende Nederlanders om stemmen te werven. En daarbij maken ze ongetwijfeld een grote kans om goed te scoren. Bij de Tweede Kamerverkiezingen had ‘links’ en ook de ‘linkervleugel’ van het CDA het bij de kiezer verbruid. Ook de VVD stond niet echt in de gunst van de (eerder) ‘linkse’ kiezers. Er waren voor de kiezers maar weinig realistische keuzemogelijkheden. Eén daarvan was de PVV maar die viel voor een deel van de stemmers af. Niet zozeer wegens haar anti-moslimkarakter als wel om de manier waarop dat standpunt werd vertolkt. ‘Kopvoddentaks’ ging hen te ver en dat simpele woord heeft samen met het feit dat de PVV in wezen een eenmanspartij is, Wilders ongetwijfeld veel stemmen (ik schat ter waarde van 4 tot 5 zetels) gekost. Wie dus niet tevreden is met de ‘nette’ politieke partijen en ook liever niet op Wilders’ PVV stemt, kan nu kiezen tussen de SP en 50PLUS. Waarbij de ex D’66 stemmer zeer pragmatisch vermoedelijk zal kiezen voor de probleemgerichte benadering van 50PLUS.

One issue – geen issue
Maar wie stemt er nu op een ‘one-issue’-partij” zullen sommige lezers tegenwerpen. “Daar heb je toch niets aan?” Ik denk echter dat veel ouderen al lang geleden hebben geleerd dat het niet veel uitmaakt door wie je gebeten wordt, de hond of de kat. Wat ouderenbeleid betreft zijn de meeste partijen één pot nat. En verder blijkt dat sinds de Partij voor de Dieren in zowel de Eerste als de Tweede Kamer zit, ook andere partijen de ‘belangen van het dier’ hebben ontdekt. Zelfs het CDA van oudsher de partij van de ‘jagerslobby‘ en de ‘bio-industrie‘ stemt nu wel eens voor een ‘pro-dierenmotie‘ mits die natuurlijk niet al te effectief is. Een partij als 50PLUS kan dus als katalysator werken voor de belangen van ouderen. En met drie pro-ouderenpartijen in de Eerste Kamer, kunnen ouderenbelangen al snel de doorslag geven. Dat betekent dat het kabinet Rutte daarmee in zijn beleid rekening moet houden. De Eerste Kamer is, vooral door de plannen om die lastige Kamer op te heffen niet langer de verzameling van 75 tandeloze mannetjes en vrouwtjes die achterkamertjespolitiek bedrijven. En het simpele feit dat de Senaat niet mag amenderen, maar wetten slechts kan aannemen of verwerpen, is geen rem op de precedentwerking van het oordeel van de Eerste Kamer.

Slotconclusie
Tenslotte nog dit: Is 50PLUS slechts een ‘one-issue’-partij? Wat ik van het partijprogramma ken en wat ik erover heb gelezen is dat zeker niet zo. Ik denk dat 50PLUS meer wil dan alleen ouderenbelangen nastreven. Maar wie een hoofdthema als ‘one issue’ neemt, vindt de SP een partij voor ‘arbeiders’ en Groen Links voor geitenwollensokkendragers en multiculti’s. Dan is het CDA vooral een ‘boerenpartij’ en de VVD de vertegenwoordiging van ‘ondernemend Nederland’. CU en SGP zijn er slechts voor de ‘christenen’, de PvdA steunt vooral koffieshophouders en ‘theedrinkers’. Eigenlijk is er nog maar één partij die meer dan twee issues heeft: D’66 en volgens kenners is dat er eigenlijk ook maar één ‘Regeer het land via bindende referenda‘. Ik kan, hoewel het niet mijn partij is (ik ben lid van de PvdD), slechts constateren dat veel Nederlanders boven de 50 (volgens Maurice de Hond zelfs 71%) zich door de huidige ‘volwaardige‘ politieke partijen volkomen verwaarloosd vinden ofwel zij worden behandeld als een ‘non-issue‘.

Voorzitter legt functie neer
vrijdag 24 december 2010

Leo van Heesch Leo van Heesch

Kees de Lange, Voorzitter van de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen zal op 10 januari van het komende jaar zijn functie neerleggen. Op die datum presenteert de nieuwe politieke groepering 50PLUS haar kandidatenlijsten voor de komende verkiezingen voor Provinciale Staten op 2 maart a.s. Kees de Lange gaat in deze nieuwe politieke partij een prominente plaats innemen. Deze positie en de daarbij horende werkzaamheden zijn moeilijk te combineren met het voorzitterschap van onze Bond.

Kees de Lange heeft gedurende ruim twee jaar met een enorme inzet de belangen van pensioengerechtigden onder de aandacht gebracht van de politiek en de media.
Dat begon al met het uitermate succesvolle symposium “Paalrot in Pensioenpijlers” in de Nieuwe Kerk in Den Haag bij gelegenheid van ons 90-jarig bestaan. De aanwezige politici werd het vuur aan de schenen gelegd zoals zij dat zelden meemaken. Ook werd toen het Pensioenmanifest gepresenteerd waar hij een belangrijke bijdrage aan heeft geleverd.
Zowel de geschreven pers als de radio- en televisie programma’s wisten hem te vinden als er commentaar moest worden geleverd op ontwikkelingen in pensioenland. Hij verkondigde dan zijn opvattingen als een echte Zaankanter, recht voor zijn raap. Dat kwam ook tot uiting in de discussies die hij had op TV. Je moest van goede huize komen om tegen hem op te kunnen.
Daarnaast gaf hij ook een beslissende push aan onze website die doorlopend wordt geactualiseerd en waarvoor hij de weblogs vaak zelf verzorgde. De ondertoon van die weblogs was vaak woede of verbijstering over hoe de gevestigde orde in Nederland met de belangen van pensioengerechtigden omspringt. Ook die website bleef niet onopgemerkt met meer dan 100.000 hits in ruim één jaar.

Samengevat zou je kunnen zeggen dat hij in die korte tijd voor de buitenwereld de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen een smoel heeft gegeven.

Ik ben er zeker van dat Kees ook in zijn nieuwe functie de belangen van de pensioengerechtigden met kracht ter hand zal nemen, zoals wij dat van hem gewend zijn. Namens ons bestuur wens ik hem daarbij heel veel succes. Wij danken hem voor alles wat hij voor onze Bond heeft gedaan. Wij zullen op onze manier maar met dezelfde betrokkenheid blijven opkomen voor de belangen van de pensioengerechtigden in Nederland.

Namens het Bestuur NBP

Leo van Heesch
Waarnemend voorzitter

De ene drenkeling is de andere niet
dinsdag 30 november 2010

Joop van Vliet Joop van Vliet

Ik zwom in de zee en werd opeens meegesleurd door de onderstroom. Langzaam verdween het strand in de verte. Met de stroom mee probeerde ik weer naar de kust te zwemmen. Gelukkig … opeens dook er een reddingboot uit het niets op. Iemand riep: “Bent u bankier?”. Spontaan antwoordde ik op deze toch wel vreemde vraag aan een drenkeling: “Nee, ik ben gepensioneerd“, waarop de boot linksomkeert maakte en mij aan mijn lot overliet.

Ik ploeterde door en werd eindelijk door een golf op de vierde zandbank uit de kust afgezet. Toen was het een koud (want ik voelde inmiddels zwaar onderkoeld) kunstje om via de volgende drie zandbanken naar het strand te komen.

Het strand van IJmuiden – ongeveer 12 kilometer van Zandvoort aan Zee, waar ik aan mijn tocht was begonnen. Geen wonder dat ik moe, koud en uitgeput was. Ik strompelde naar de Beach Inn waar ik zonder iets te hoeven zeggen, ik zag blauw van de kou, van eigenaar Peter warm drinken, een badhanddoek en een plaats bij de fel brandende Bullerjan, gestookt met drijfhout, kreeg. Ik vroeg naar het merkwaardige gedrag van de reddingboot. Een omstander barstte verontwaardigd uit: “Dat is toch niet normaal meer. Bankiers wel redden? Dat tuig dat je de pest liet krijgen als er maar enig risico was, dat je de lening niet kon terugbetalen. Dat geld leende tegen 2 procent en weer tegen 6 procent uitleende en het verschil verbraste aan bonussen voor zichzelf en hun diefjesmaatjes. En daar deed de reddingsbrigade aan mee? Die liet gepensioneerden verzuipen?” Niemand van de gasten pikte dat gedrag van de reddingsbrigade. Die moest gewoon hulp verlenen aan alle drenkelingen in nood en verder niets.

Merkwaardig genoeg accepteert heel Nederland stilzwijgend dat pensioenfondsen (dus gepensioneerden) niét en banken (dus bankiers) wél worden geholpen. En niet eenmaal, maar zo vaak als nodig lijkt te zijn  of het helpt of niet. En het helpt niet, want met eurotekens in hun ogen hebben de bankiers zich (samen met hedgefunds) gestort op de lucratieve obligatiemarkt. Dat is wel risicovol maar het risico wordt gedragen door de centrale banken, de Europese Centrale bank en het IMF. En die kunnen dat risico gemakkelijk dragen, want zij wentelen het weer af op de belastingbetaler.

Wie daaraan nog twijfelt, moet het boek van Kilian Wawoe: BONUS maar lezen. Wawoe is ingewijd in het bankwezen, promoveerde op het bonussysteem en werkt nu als zelfstandig ondernemer en docent Human Research Management aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Zijn onderzoek toont onomstotelijk aan dat bonussen niet doen wat ze moeten doen. Een citaat uit zijn interview met NRC-weekblad van 13 november j.l.:

Na Monaco reisde Kilian Wawoe de hele wereld over om bij vier banken de effecten van beloningssystemen te onderzoeken, hij zou erop gaan promoveren. Hij kon het doen in de tijd van ABN Amro, later Fortis. Eind 2006 – alles ging nog goed bij de banken – begon hij zijn eerste conclusies te trekken. Ondernemende, assertieve en dominante medewerkers kregen de hoogste bonussen, zag hij. Maar niet omdat hun prestaties zo goed waren. Ze durfden de grootste risico’s te nemen. Ze streefden rücksichtslos hun eigen belangen na.

Er ontstond een financiële crisis (eigenlijk een bankencrisis), die in Europa op landniveau gevolgen had.
Het begon met Griekenland dat eerder onder valse voorwendselen zijn drachmes mocht vervangen voor Euro’s tegen de alleszins prettige koers van 340 drachmes voor één euro. Dat leidde tot problemen, want de slecht draaiende Griekse economie kon niet door devaluatie weer op gang worden geholpen. Men moest geld lenen tegen steeds hogere rentes en  besmette daardoor ook andere landen. Er kwam dus een noodfonds waarin de  centrale banken, de ECB en het IMF meededen.

Straks moeten na Griekenland en Ierland ook andere Europese landen worden “geholpen”. Eerst het “kleintje” Portugal, dat kan ons noodfonds nog wel dragen. Dan komt Spanje … wél een zwaargewicht. Als we ons daaraan  hopelijk  niet vertillen krijgen we Italië, met slechts 10% begrotingstekort (maar hoe betrouwbaar is dat?) en dat gaat dus te ver. Het noodfonds is dan al lang op.

Maar waarom moéten we die andere landen helpen? Alleen maar omdat veel Nederlandse en Duitse banken tot aan hun nek in obligaties van die landen zitten (dat zei minister Kees de Jager op 27 november nog bij Tros Kamerbreed). En we kunnen die arme banken toch niet laten omvallen,  die moeten gered worden. Niet de pensioenfondsen, niet de gepensioneerden, niet de belastingbetalers, niet het onderwijs, niet de kunst … maar de banken en hun bonusgraaiers.
De rest mag verzuipen.

Huilen met de wolven
maandag 1 november 2010

Leo van Heesch Leo van Heesch


Of: … wij gaan vrolijk door met onze stommiteiten.

Bijna opgewekt meldde de nieuwslezer op de eerste dag van november dat De Nederlandse Bank de pensioenfondsbesturen gaat toestaan noodzakelijke premieverhogingen niet door te voeren. Wie moeten die rekening betalen ? Zoals gebruikelijk de gepensioneerden en toekomstig gepensioneerden.

Eensgezind zijn overheid, werkgevers, vakbonden en pensioenfondsbesturen er de afgelopen decennia in geslaagd het “beste pensioenstelsel van de wereld” naar de afgrond te voeren. Eensgezind hebben zij een gezond pensioenstelsel met in 1990 een gemiddelde dekkingsgraad van 230 terug weten te brengen tot een zorgwekkende patiënt met een gemiddelde dekkingsgraad nu van 100.

Niet de internetcrisis, niet de kredietcrisis, niet de lage rente zijn de echte oorzaken van de huidige ellende. Zij hebben alleen maar geholpen het neerwaartse proces te versnellen.
Onverantwoord lage premies en, miljardengrepen in de pensioenkassen hebben het stelsel zodanig verzwakt dat tegenvallers in de markt fatale gevolgen hebben.

Indexaties van de pensioenen om de loonontwikkeling te volgen zijn verworden tot sprookjes uit het verleden, Indexaties die de koopkracht volgen zijn ook uit zicht verdwenen en zullen voor de meeste gepensioneerden ook niet meer worden hersteld. Korting van pensioenrechten komt voor veel gepensioneerden steeds dichter bij.

Maar beste mensen, het is nog niet genoeg. Kennelijk vormen fouten uit het verleden geen leerproces ter voorkoming van stommiteiten in de toekomst. Overheid en (a)sociale partners hebben het systeem niet alleen naar de afgrond gevoerd, zij willen het stelsel nu ook nog het laatste zetje geven. Wat is er aan de hand ?

“Zijn ze nu helemaal van de ratten besnuffeld” was mijn eerste reactie toen ik hoorde van het verzoek van de Stichting van de Arbeid (waarin vakbonden en werkgevers samen overleggen) aan minister Kamp. In de herstelplannen van veel pensioenfondsen staat dat als het herstel niet volgens plan verloopt er enige extra premie wordt geheven. Het verzoek aan minister Kamp was om daar van af te mogen zien. Daartoe moet het toezichtregime van De Nederlandse Bank worden versoepeld. In plaats dat de vermogenspositie van de noodlijdende fondsen wordt versterkt wordt ze juist verzwakt. Indexatie van gepensioneerden en toekomstige gepensioneerden verdwijnt nog verder uit het zicht, korting van pensioenen komt nog sneller dichterbij. De pensioenfondsbesturen die worden bevolkt door diezelfde werkgevers en vakbonden, blijven intussen maar met droge ogen beweren dat zij ook de belangen van gepensioneerden evenwichtig afwegen.

Waar minister Donner in zijn eerdere functie als minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid er juist bij De Nederlandse Bank op aandrong haar toezichthoudende taak serieus te nemen, komt het hem nu als minister van Binnenlandse Zaken en werkgever van de ambtenaren goed uit als die opslagpremie komt te vervallen. Meehuilen met de wolven in het bos. Minister Kamp wil graag goede maatjes blijven met werkgevers en vakbeweging en hij stemde in met de maatregel. De Nederlandse Bank bleek eens te meer geen ruggengraat te hebben en zette haar toezichthoudende taak weer op een laag pitje. Want ach en wee , de premies zouden wel met meer dan 20% omhoog moeten en dat kan niet. Nou als de situatie zo ernstig is, dan kun je beginnen met de maximaal 3% die in de herstelplannen staat, die door de pensioenfondsen zelf zijn opgesteld. Maar nee de situatie is nog niet ernstig genoeg. Opnieuw wordt er een jaar uitstel verleend. Opnieuw krijgen de pensioenfondsen een jaar de tijd om met structurele maatregelen te komen. Het zou wel eens kunnen zijn dat de kortingen op de pensioenen structureel worden omdat de verantwoordelijken doorgaan met de zaak volledig uit de klauwen te laten lopen.

Gepensioneerden en toekomstig gepensioneerden. Als uw koopkracht hollend terugloopt en u in de toekomst gekort gaat worden, weet dan wie daar voor verantwoordelijk is. Het is de overheid in het verleden en de overheid nu die goeie vriendjes wil blijven met Wientjes en Jongerius. Het zijn de werkgevers die geen enkel risico meer lopen maar toch de dienst uit blijven maken bij de pensioenfondsen. Het zijn de vakbonden die hebben toegestaan dat alle risico’s van beleggen, inflatie en langer leven bij de deelnemers, werkenden en gepensioneerden, komen te liggen. Het zijn de pensioenfondsbesturen, samengesteld uit diezelfde werkgevers en vakbonden, die telkens weer de belangen van de gepensioneerden en de toekomstig gepensioneerden ondergeschikt maken aan de deelbelangen van de partners in crime.

En de nieuwe regering ? Die huilt kennelijk mee met de wolven in het bos. Voor de gepensioneerden dreigt een lange strenge winter vol gevaar.