H. Potamus heeft een weblog ‘Heilige verontwaardiging’ geschreven waarin hij zijn licht laat schijnen over Papandreou’s referendum en de reacties uit €uropa.
In het kader van de samenwerking met de stichting Pensioenbehoud, publiceren wij onder Nieuws hun nieuwsbrief
Nieuwsbrief van Stichting Pensioenbehoud van 6 november 2011
In de uitgave ABP Wereld 2011/3 (activeer de link wegens te groot bestand: http://abp.turnpages.nl/DS2/public/slot005/pdf/compleet.pdf) staan een aantal wetenswaardige zaken die vermoedelijk niet veel anders zullen zijn bij de andere pensioenfondsen, daar het ABP ongeveer een derde van alle pensioenen in Nederland beheert.
In het artikel Van de Bestuurstafel wordt vermeld dat op dit moment ongeveer de helft van het pensioenvermogen van 237 miljard euro (eind 2010, eind september 235 miljard euro) toebehoort aan de werkende deelnemers en de andere helft aan de niet-actieve deelnemers. ABP verwacht dat in 2019 twee derde van het pensioenvermogen zal toebehoren aan de niet-actieven. En dat na 2020 dat deel van het pensioenvermogen zelfs zal oplopen tot drie kwart. Dit geeft de mate van vergrijzing wel duidelijk aan. Daar hebben wij rekening mee gehouden in ons voorstel voor een gewijzigd pensioenstelsel.
In het artikel Van goed informeren moeten we naar heel goed communiceren wordt vermeld dat uit recent ABP onderzoek is gebleken dat van het totale pensioen dat iemand ontvangt, 37% betaald wordt uit beleggingsopbrengsten verdiend tijdens de opbouwfase en 43% uit beleggingsrendement terwijl iemand al met pensioen is. Het ABP heeft in het verleden becijferd dat een gemiddeld ABP pensioen voor ongeveer één vijfde deel wordt gefinancierd door betaalde premies en vier vijfde uit beleggingsopbrengsten.
Dat betekent dat als het aandeel aan betaalde premies tijdens de loopbaan in het opgebouwde pensioen gaat van een vijfde deel (20%) naar b.v. 22% daar een pensioenstijging van 8% tegenover staat bij gelijke beleggingsopbrengsten. Een relatief kleine premiestijging levert een grote hefboomwerking op in het opgebouwde pensioen. Daarom zijn volgens ons – en vele anderen – de kostendekkende premies van zo groot belang. Het argument dat een premiestijging nauwelijks effect zou hebben om de toegezegde pensioenen op peil te houden, wordt hiermede behoorlijk ontkracht. Wel moet er door het langer leven meer pensioen worden uitbetaald, maar dat komt voor tenminste 43% uit de beleggingsopbrengst van dat langer leven.
Indien het ABP zonder risico zou beleggen dan zou de bovengenoemde verhouding van 20%-37%-43% verschuiven naar 31%-34%-35% of het pensioen gaat met 40% omlaag of een combinatie van beiden. Hierbij zijn de van invloed zijnde kosten en verzekeringselementen in de premie buiten beschouwing gelaten. Dus beleggen in aandelen is noodzakelijk volgens het ABP. “We moeten het dus niet zoeken in geen risico’s lopen, maar in het beheersen van risico’s”, aldus de beide bestuursleden met de erkenning achteraf dat er beter had moeten worden gecommuniceerd over de onzekerheden.
In het artikel Vele mogelijke oorzaken wijziging pensioenhoogte wordt echter de Business Consultant bij Informatie Management Pensioenen van het ABP Nico Reuleaux geciteerd over de omzetting van eindloon naar middelloon met “Dat is logisch, want dat zijn je verworven rechten en die houd je”. Het is te hopen dat het ABP zich zal houden aan deze uitspraak bij het ‘invaren’ van de bestaande rechten in het nieuwe contract volgens het Pensioenakkoord. Want volgens het Rapport Vermeend van de Commissie Nationaal Pensioendebat Zorgen over morgen (zie bijlage) vormt onze AOW slechts 31% van ons gemiddeld eindloon in Nederland, terwijl in Griekenland dat percentage maar liefst 71,2% bedraagt en in Spanje zelfs 76,3%.


Hippo Potamus
Kees de Lange