Pensioenmanifest

Naar een transparant, haalbaar en rechtvaardig Nederlands pensioenstelsel

U kunt het manifest ook in pdf formaat downloaden.

Inhoudsopgave

  1. Het Nederlandse pensioenstelsel wankelt
  2. Naar een transparant, haalbaar en rechtvaardig stelsel
  3. Harde conclusies en noodzakelijke ingrepen

Het Nederlandse pensioenstelsel wankelt

Het gaat niet goed met ons pensioenstelsel. Sinds kort zijn onze pensioenen een bron van grote zorg voor actieven en gepensioneerden. Dit Pensioenmanifest behandelt een aantal sleutelproblemen in de huidige situatie. Het wil een aanzet geven tot fundamentele en noodzakelijke veranderingen in ons pensioenstelsel.

Ons pensioensysteem kent drie pijlers: de AOW, het aanvullende pensioen, en individuele besparingen. Dit manifest gaat over de tweede pijler – aanvullende pensioen. Daarbij beperken we ons tot de bedrijfstakpensioenfondsen. Niet omdat er bij de andere fondsen of pensioenverzekeringen geen problemen zouden zijn – integendeel, maar omdat bijna 5 miljoen actieven en 2,1 miljoen gepensioneerden verplicht zijn aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds (87 procent van alle rechthebbenden in pensioenfondsen). Die fondsen beheren samen bijna vierhonderd miljard euro aan opgebouwde pensioenrechten. Problemen bij bedrijfstakpensioenfondsen treffen dus de grote meerderheid van de Nederlanders.

De AOW vormt een apart probleem. De huidige discussie over de verhoging van de AOW leeftijd staat niet los van de totale pensioenproblematiek en de situatie op de arbeidsmarkt. Nu al is er een kloof van drie jaar tussen de doorsnee pensioenleeftijd en de huidige AOW datum. Daarom blijft in dit manifest de AOW grotendeels buiten beschouwing.

De essentie van het Nederlandse pensioenstelsel berust op belangrijke uitgangspunten, die in dit manifest van harte onderschreven worden.

Het is een collectief systeem gebaseerd op solidariteit tussen de generaties. De beheerskosten blijven hierdoor laag. Voorts berust het op het ‘defined benefit’ principe, met een garantie op een zeker nominaal pensioen. Inflatiecorrectie wordt beoogd, maar kan pas doorgaan als het fonds over voldoende middelen beschikt – het is een voorwaardelijk recht. Werkgevers èn werknemers dragen beide, via premiebetaling, bij aan de vorming van het pensioenvermogen. Pensioen is deels uitgesteld loon en deels spaarloon. Door de aard van pensioenfondsen moet het beleid vooral op de lange termijn gericht zijn.

De Nederlandse economie en dus ook ons pensioenstelsel is gevoelig voor externe invloeden. De huidige wereldwijde kredietcrisis heeft enorme financiële gevolgen. Bij de grote meerderheid van de fondsen dreigt de indexatie voor jaren achterwege te blijven Zelfs de uitkering van nominale pensioenen is bij de meeste fondsen niet langer vanzelfsprekend.

Doordat de hele Eurozone met enorme financiële problemen te kampen heeft, kan de Nederlandse problematiek ook niet los worden gezien van de Europese. Daarnaast is er de vergrijzing waardoor de solidariteit tussen de generaties steeds meer onder druk staat.

Naast deze externe problemen, kent het stelsel zelf ook ernstige tekortkomingen. Het bestuur van pensioenfondsen bestaat uit vertegenwoordigers van werkgevers en vakorganisaties. De gepensioneerden die in de meest letterlijke zin aandeelhouder in de pensioenfondsen zijn, worden buitengesloten. Ook de medezeggenschap bij pensioenfondsen, en in het bijzonder die van gepensioneerden, voldoet niet aan in redelijkheid te stellen moderne eisen.

In het volgende gaan we in op de belangrijkste bedreigingen en problemen waaraan ons pensioenstelsel bloot staat. Het manifest wordt besloten met een reeks harde conclusies en noodzakelijke ingrepen.

Paniek om nominale pensioenen

Het Nederlandse pensioenstelsel is een onlosmakelijk onderdeel van het arbeidsvoorwaardenpakket dat aan werknemers wordt aangeboden. De beloning voor arbeid bestaat niet alleen uit het loon of het salaris, maar ook uit de toezeggingen voor het pensioen. Daarom moet men als werknemer blindelings kunnen vertrouwen op deze toezeggingen. In het algemeen komt dat neer op 70% van het gemiddelde loon dat men gedurende zijn of haar leven heeft verdiend. Dat pensioen wordt betaald uit de premies die de werknemer en zijn werkgever elk jaar in het pensioenfonds storten. Tot voor enige jaren kon de werknemer erop vertrouwen dat zijn pensioen ook in reële termen (dus voor inflatie gecorrigeerd) zeker was. Sinds kort wordt vooral het voorwaardelijke karakter van de indexatie benadrukt. Die toezegging gaat alleen door als het geld in het fonds aanwezig is. Bovendien wordt nu zelfs gesproken over afstempeling van rechten alsof dat heel gewoon is.

De huidige toestand met veelal veel te lage dekkingsgraden komt op rekening van een aantal factoren:

De werkgevers en vakorganisaties die de fondsen besturen hebben één gemeenschappelijk belang op korte termijn, het laag houden van de premies. Zo maken werkgevers minder kosten, en ontvangen werknemers meer netto loon. Omdat de aandelenmarkten zich jarenlang gunstig ontwikkelden, konden tekorten via beleggingen terugverdiend worden. Zo is nagelaten afdoende buffers op te bouwen toen het economisch goed ging.

De gehanteerde risicomodellen zijn te optimistisch en kunnen alleen getoetst worden door naar het verleden te kijken. Maar het verleden kan geen toetssteen zijn als de globalisering in razend tempo voortschrijdt en het nemen van onverantwoorde risico’s met riante bonussen beloond wordt. Daardoor zien we nu financiële rampspoed op ongekende schaal. Het toezicht faalt omdat het niet is toegerust voor deze ontwikkelingen.

De pensioenverplichtingen zijn uitermate gevoelig voor de rente. Dat de financiële positie van de fondsen berekend wordt tegen dagrente, is desastreus als – zoals nu – die rente naar nul gaat. Voor pensioenfondsen met een lange termijnhorizon, is de verplichte waardering op basis van de dagrente uiterst ongewenst.

De fondsen hebben nagelaten hun deelnemers te vertellen dat er een reëel gevaar is dat in extreme omstandigheden zelfs nominale pensioenen niet gegarandeerd zijn. Dit moet de fondsen worden aangerekend. De deelnemers hebben in goed vertrouwen en op verplichte basis hun uitgestelde loon toevertrouwd aan het fonds, en zij hebben het onverminderd recht op uitbetaling van het volle hun toegezegde pond. Dat neemt niet weg dat in gevallen waarbij een faillissement dreigt voor het moederbedrijf of het moederbedrijf niet meer bestaat deze verplichtingen tijdelijk of permanent kunnen worden opgeschort. In normale situaties moet het echter een erezaak zijn voor het bedrijf en zijn eventuele rechtsopvolgers de verplichtingen t.a.v. werknemers na te komen. Dit geldt met name voor de overheid en het ABP. Deze risico’s kunnen niet worden afgewenteld op de pensioengerechtigde werknemer.

Vergrijzing een overschat probleem

Ouderen zijn van grote waarde in onze samenleving. Zaken als kinderopvang, mantelzorg, verenigingsleven van allerlei aard en kerkenwerk zijn ondenkbaar zonder de vrijwillige inbreng van ouderen. In geld omgezet leveren deze activiteiten de samenleving vele miljarden per jaar op. Niettemin is er de tendens om ouderen als probleem te zien, en op geen enkele wijze bij de pensioenproblematiek te betrekken. Een samenleving die op een dergelijke manier met ouderen omgaat, doet zichzelf ernstig tekort. Bovendien is een dergelijke houding strijdig met een overheidsbeleid dat in woord en geschrift een grotere participatie van ouderen in het vaandel voert. Het ware te wensen dat de daden gelijke tred met de retoriek zouden houden.

Er wordt ten onrechte beweerd dat de pensioenproblemen te maken hebben met de vergrijzing. In principe wordt het aanvullend pensioen niet beïnvloed door de vergrijzing. Het is immers gebaseerd op een kapitaaldekkingsstelsel. Dat betekent dat ieder individu en elke leeftijdsklasse in principe zijn eigen pensioenverzekering opbouwt. Als de premie hoog genoeg is, d.w.z. kostendekkend, is het nominale pensioen in principe veiliggesteld. Er komt pas een probleem, wanneer de spaarpot niet voldoende is en de premies van jongeren in plaats van voor hun eigen pensioenopbouw moeten worden gebruikt voor de pensioenbetaling van reeds gepensioneerden. Er is dan sprake van een fatale piramide-constructie. Bovendien tast dit het draagvlak voor het pensioenstelsel aan, een kwalijke zaak.

Om de vergrijzing in Nederland in perspectief te plaatsen, die is bij ons heel wat minder ver voortgeschreden dan in de meeste Europese landen. Dat zou matigend moeten werken op paniekverhalen. Bij een prudent financieel beleid is er geen reden waarom de aanwezige besparingen en pensioenverplichtingen niet met elkaar in evenwicht zouden zijn. In die zin neemt Nederland in Europa een nog vrij gunstige positie in, hoewel het opgeblazen taalgebruik dikwijls anders doet vermoeden. Als de vergrijzing een reden voor de huidige pensioenproblematiek zou zijn, dan impliceert dat simpelweg dat premies in het verleden te laag zijn vastgesteld.

Doordat de eerste pensioenpijler, de AOW, wel een omslagstelsel is, is in dit geval wel sprake van gevoeligheid voor demografische ontwikkelingen. Echter, de veelgehoorde verhalen dat de AOW in de toekomst onbetaalbaar zou worden, zijn op basis van betrouwbare beschikbare cijfers over de demografische ontwikkelingen betwistbaar.

Dat ouderen ondanks de essentiële rol die zij in de samenleving vervullen, politiek nauwelijks een factor van belang zijn, is in overwegende mate aan hen zelf te wijten. Opvallend is dat de ouderen in onze samenleving zich tot dusver nauwelijks georganiseerd hebben in belangenverenigingen. Dit heeft veel te maken met het enorme vertrouwen dat tot voor kort bestond in onze financiële instellingen, met name de pensioenfondsen. Nu dit vertrouwen op drijfzand gebaseerd blijkt, doen ouderen er goed aan organisaties te vormen die specifiek opkomen voor hun belangen…. vakbonden doen dat niet. Alleen dan zullen gepensioneerden niet langer een politieke sluitpost in het economisch beleid zijn.

Indexatie: een teken van beschaving

Het behoort tot de missie van pensioenfondsen om compensatie te verlenen voor loonstijgingen (looninflatie), prijsstijgingen (prijsinflatie), of beide. Op deze wijze wordt voorkomen dat de koopkracht van gepensioneerden jaar in jaar uit wordt uitgehold. In die zin is indexeren niets meer of niets minder dan een teken van beschaving.

Bij inflatie daalt het nominale pensioen steeds in koopkracht. Stel de inflatie op de door economen wenselijk geachte 2 procent per jaar, dan is na 15 jaar al meer dan een kwart van de koopkracht verdampt. Pensioenen dienen dus geïndexeerd te worden. Gebeurt dat niet, dan hebben de actieven de mogelijkheid hun loon te indexeren via loononderhandelingen, maar de gepensioneerden zelf hebben geen reële onderhandelingsmacht. Hun rechten moeten zijn veilig gesteld vóór ze met pensioen gaan. In elke pensioenregeling dient rekening te worden gehouden met een matige inflatie, zeg de gemiddelde inflatie over de laatste twintig jaar. In principe is dat geen probleem. De premies gaan in verhouding met de nominale lonen omhoog. De aandelenkoersen staan voor reële waarden. In de obligatierentes zijn inflatieverwachtingen verdisconteerd. Wanneer het niet mogelijk blijkt pensioenen te indexeren voor inflatie impliceert dit dus opnieuw dat de pensioenpremies te laag zijn vastgesteld en/of niet goed belegd.

Nu de financiële situatie bij de pensioenfondsen zich voor de tweede maal in tien jaar desastreus ontwikkeld heeft, zijn het vooral de kleine lettertjes in het pensioencontract die in de schijnwerper staan. Indexatie is een voorwaardelijk recht, alleen te verlenen bij voldoende middelen in het fonds, ter discretie van het pensioenfondsbestuur. De Nederlandsche Bank (DNB) als toezichthouder zit bovendien als een bok op de haverkist om te voorkomen dat indexatie ook maar in de verte op een onvoorwaardelijk recht gaat lijken.

De gevolgen zijn duidelijk. Waar in het verleden indexatie normaal was, en het niet uitbetalen van de volledige indexatie een uitzondering vormde, dreigt nu een indexatiestop voor drie of meer jaren. Deze ontwikkeling is rampzalig voor zowel actieven als gepensioneerden, hoewel bij actieven de korting vooralsnog virtueel is. Gedurende langere tijd kan voor hen de opgelopen schade immers nog worden hersteld. Dit scenario is voor gepensioneerden niet weggelegd. Alleen hun AOW wordt aangepast. Hun aanvullend pensioen niet, terwijl de niet gecompenseerde inflatie in drie jaar tijd al tot 12 procent (2+4+6=12) oploopt bij een inflatie van 2 procent per jaar. Een volstrekt onacceptabele situatie.

Gepensioneerden eisen daarom dat pensioenen worden geïndexeerd met de inflatie tot een bepaalde maximum en dat de toezichthouder dit dwingend oplegt aan de pensioenfondsen. Dit impliceert dat de vereiste buffers omhoog moeten.

Deels is de paniek over dekkingsgraden overigens misplaatst. Pensioencontracten lopen doorgaans over meerdere decennia. Het is dan onzinnig de fondsverplichtingen en bezittingen tegen dagkoersen af te rekenen. Dit leidt tot onnodige paniek bij beheerders en deelnemers. De criteria voor goed fondsbeheer dienen te worden aangepast aan de lange termijn horizon van het fonds. Dat betekent onder meer dat verplichtingen dienen te worden verdisconteerd tegen een gemiddelde rentevoet over bijvoorbeeld de laatste vijftien jaar, of een daarmee vergelijkbaar criterium.

Recht op medezeggenschap

Gepensioneerden zijn daadwerkelijk aandeelhouders in hun pensioenfondsen, maar hebben zij ook rechten? In de afgelopen periode zijn de aandeelhoudersbelangen in bedrijven uitgebreid aan de orde geweest. Dit heeft geresulteerd in de code Tabaksblat, daterend van eind 2004. In 2009 kwam er een verdere aanscherping door een commissie onder leiding van Jean Frijns, voormalig ABP-bestuurder. Aandeelhouders in bedrijven kregen dus meer inspraak, maar gepensioneerden hebben nog steeds niets te vertellen.

Bedrijfstakpensioenfondsen worden ´paritair´ bestuurd, door vertegenwoordigers van werkgevers en vakorganisaties. Maar is dat terecht? De enige relatie die werkgevers hebben met bedrijfstakpensioen-fondsen is dat zij een deel van de pensioenpremie voor hun werknemers betalen, volgens afspraken gemaakt in het arbeidsvoorwaardenoverleg. Omdat werkgevers in de bedrijfstakpensioenfondsen geen enkele andere verplichting kennen dan de overeengekomen premiebetaling (uitgesteld loon), is hun rol in de besturen van de fondsen nauwelijks verdedigbaar. De werknemers betalen overigens ook een deel van de pensioenpremie (spaarloon). Het verschil tussen werkgevers – en werknemersaandeel is louter boekhoudkundig, beide maken deel uit van de brutoloonsom. Ook bij de representativiteit van de andere partners in de pensioenfondsbesturen, de overkoepelende vakorganisaties, kunnen vragen gesteld worden. Merkwaardigerwijs hebben de huidige gepensioneerden, die meer dan 40% van de huidige middelen van de pensioenfondsen bijeenbrachten, geen enkele zeggenschap.

Deze situatie kan niet langer getolereerd worden. Werkgevers en vakorganisaties, die vooral de actieve werknemers vertegenwoordigen, hebben op korte termijn maar één gemeenschappelijk belang: het duurzaam laag houden van de pensioenpremie. Zelfs deden werkgevers regelmatig een greep in de kas; bijvoorbeeld bij het ABP verdween successievelijk zo’n 15 miljard euro. ‘Overwinsten in de pensioenfondsen’, weet u het nog? Dit leek aardig zolang het goed ging met de economie, maar blijkt nu, bij de huidige crisis desastreus. Gepensioneerden, die belang hebben bij een kostendekkend premieniveau, werd niets gevraagd. Van ‘checks and balances’ was geen sprake. Integendeel, er werden onaanvaardbare risico’s op de beurs genomen.

Gelukkig ligt er nu een initiatiefwetsontwerp van Blok (VVD) en Koser Kaja (D66) dat beoogt de gepensioneerden een vertegenwoordiging in de pensioenfondsbesturen te geven. Het zou onvoorstelbaar zijn als dit voorstel verworpen zou worden, maar in Den Haag weet je het maar nooit. Gepensioneerden wordt daarom aangeraden de standpunten van de politieke partijen nauwlettend te volgen.

De bedrijfstakpensioenfondsen beroemen zich graag op hun deelnemersraden, die de medezeggenschap inhoud zouden geven. Helaas … de meeste leden van deze raden worden benoemd door de vakorganisaties – met last en ruggespraak. Wie kritisch is, wordt onmiddellijk door een inschikkelijker exemplaar vervangen. Het is alsof de slager zijn eigen vlees keurt. Onafhankelijke medezeggenschap is niet gewenst. Bovendien kunnen deelnemersraden slechts adviseren. Anders dan bij de Ondernemingsraden, die naast adviesrecht ook instemmingsrecht hebben, zijn de bevoegdheden van de deelnemersraden een farce.

Falend toezicht

Pensioenfondsen staan onder toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB). Dat toezicht is veelomvattend. Het betreft onder meer het beleggingsbeleid en de afstemming daarvan op de aard en duur van toekomstige verplichtingen. Ook controleert DNB dat indexatiebetalingen door de pensioenfondsen de voorwaardelijkheid van deze indexaties niet aantasten. Voorts moet DNB er op toezien dat verschillende categorieën deelnemers in de pensioenfondsen evenwichtig behandeld worden. Bovendien wordt transparantie vereist. In hoeverre slaagt DNB er in al die aspecten van toezichthouder naar behoren te vervullen?

Voor en tijdens de kredietcrisis waren er, ook in de pers, kritische vragen over toezicht wereldwijd en ook over de rol van DNB als toezichthouder in Nederland. De Nederlandse pensioenfondsen bijvoorbeeld konden ondanks het toezicht voor miljarden beleggen in giftige – zeer risicovolle – financiële producten. Daarbij hanteert DNB risicomodellen die hoogstens getest zijn op basis van gegevens en situaties uit het verleden, en die weinig toekomstbestendig zijn. Daarnaast houdt men onvoldoende rekening met de nadelige aspecten van globalisering en de daarbij behorende schaalvergrotingen zonder precedent, terwijl men de voordelen systematisch overschat. Onvoldoende toezicht leidt tot verlies van vertrouwen en, zoals helaas is gebleken, tot frauduleuze en criminele financiële praktijken zonder weerga.

Zag DNB slechts toe toen de pensioenfondsen kampten met de tweede grote financiële crisis in tien jaar? Waarschuwde DNB de gezamenlijke pensioenfondsen, toen die zo’n 100 miljard euro belegden in vastrentende waarden van dubieuze (zeg maar IJslandse) kwaliteit? Ziet men evenwichtig toe op de door pensioenfondsen ingediende herstelplannen? Het strikt vasthouden aan de dagrente voor de bepaling van de pensioenverplichtingen zorgt voor extra paniek. Worden de belangen van alle deelnemers in een fonds gelijkwaardig behartigd? Gepensioneerden wacht nu niet alleen een jarenlange bevriezing van de indexatie, maar zelfs een tot voor kort onmogelijk geachte verlaging van de nominale pensioenaanspraken – de gevreesde afstempeling.

Al deze maatregelen treffen gepensioneerden direct ingrijpend in hun koopkracht, in een fase van hun leven dat zij daar nauwelijks verweer tegen hebben. Weliswaar worden dan ook de pensioenaanspraken van actieve deelnemers verminderd, maar vooralsnog is dat een virtuele verlaging. Er resteert voldoende tijd om de situatie te repareren. Voor een groot deel van de gepensioneerden ontbreekt die tijd, zij zullen dan overleden zijn. Vanuit het oogpunt van een herstelplan ideaal, zal de cynicus opmerken.

Hoe transparant is DNB? Deelname aan pensioenfondsen is verplicht. Wellicht geeft men daarom geen hoge prioriteit aan de wens van deelnemers te weten welke eisen DNB stelt aan hun pensioenfonds. Transparantie impliceert dat de deelnemers helder worden geïnformeerd over onder meer de kwaliteit van het beleggingsbeleid van hun pensioenfonds. Het gaat immers om hun uitgestelde loon en spaarloon, hun oudedagsvoorziening. Het is al kwalijk genoeg dat gepensioneerden niet meebesturen in de fondsen. Dat zij ook geen inzicht krijgen in de kwaliteit van het gevoerde beleid is buiten proportie en valt vooral DNB aan te rekenen.

Europese inflatie en Nederland

Het Nederlandse pensioensysteem steekt gunstig af bij dat van de meeste andere Europese landen. De combinatie van kapitaaldekking voor de aanvullende pensioenen met het omslagstelsel van de AOW is stabieler dan elk van de componenten afzonderlijk. Een systeem op basis van kapitaaldekking is weinig gevoelig voor vergrijzing van de bevolking – omslagstelsels zijn daar juist bijzonder gevoelig voor. Veel Europese landen financieren de pensioenen via de belastingen. De vergrijzing, die in de meeste Europese landen ernstiger is dan hier, maakt hun situatie nijpend. Is ons stelsel immuun voor de ontwikkelingen in Europa en kan het de druk weerstaan die Europa op Nederland uitoefent om een voor ons ongunstige regelgeving door te voeren?

Om economische stabiliteit in Europa te creëren en de lidstaten zoveel mogelijk te vrijwaren van economische problemen in andere EU-landen, kwam het zogenaamde stabiliteitspact tot stand. Het beoogt de begrotingstekorten van de lidstaten binnen redelijke grenzen (3 procent) te houden. Het pact is gericht tegen het exporteren van inflatie door landen die hun economie niet goed op orde hebben. Dat is namelijk desastreus voor staten waar wél begrotingsdiscipline heerst. Zonder stabiliteitspact zou de inflatie in Europa sterk toenemen. Voor het Nederlandse pensioenstelsel met zijn grote kapitaalreserves een rampzalige ontwikkeling.

Helaas voor Nederland zijn niet alle lidstaten voor een solide begrotingsdiscipline. De economisch zwakkere broeders in de EU hebben er belang bij hun budgettaire problemen via inflatie te kunnen afwentelen. Die lidstaten oefenen grote druk uit op de Europese Centrale Bank (ECB) om bij het vaststellen van het renteniveau opportunistische politieke overwegingen te betrekken. Tot voor kort konden de presidenten van de ECB weerstand bieden aan deze druk. Door de kredietcrisis lijkt afscheid te zijn genomen van dit beleid.

De huidige kredietcrisis maakt dat in vrijwel alle lidstaten, Nederland incluis, de begrotingsdiscipline wordt uitgehold. Dat is zeer ernstig, maar wel begrijpelijk. Om de economie in de EU te stimuleren, bracht de ECB de rente terug tot het laagste niveau ooit (1,5 procent per maart 2009) en zelfs een verlaging tot 0 procent is mogelijk. Door de koppeling van de marktrente aan de pensioenverplichtingen (lagere rente betekent hogere verplichtingen), dalen de dekkingsgraden tot ver beneden de verplichte 105. De lage rentestand is voor pensioenfondsen één van de grote boosdoeners. Een procent minder rente kan de dekkingsgraad met 15 tot 20 procent verlagen.

Het ogenschijnlijk zo verleidelijke en nuttige tijdelijke loslaten van de begrotingsdiscipline om de economie in de EU te stimuleren is op termijn levensgevaarlijk. Tijdelijk wordt al gauw permanent, als daarmee bepaalde belangen gediend zijn. Tijdelijke belastingen bijvoorbeeld hebben meestal een zeer lang leven.
Door afname van de begrotingsdiscipline neemt de inflatie toe en kunnen lidstaten met grote pensioen-toezeggingen en weinig pensioenvermogen die nominale pensioentoezeggingen waarmaken. Formeel is dan alles in orde, zij het dat hun gepensioneerden betaald worden in gedevalueerde euro’s. Voor Nederland betekent een dergelijke ontwikkeling het definitieve failliet van ons decennialang crisisbestendig geachte kapitaalgedekte pensioensysteem.

Harde conclusies en noodzakelijk ingrepen

  1. Het Nederlandse pensioenstelsel, gebaseerd op solidariteit tussen de generaties, is een verworvenheid die met kracht verdedigd moet worden. Daartoe dienen tekortkomingen en misstanden urgent aangepakt te worden.
  2. Jarenlang zijn er te lage pensioenpremies betaald door het systematisch te laag inschatten van risico’s. Juist in goede tijden kan en moet een kostendekkende premie betaald worden.
  3. Pensioenen vertegenwoordigen uitgesteld loon en spaarloon, en zijn collectief eigendom van de deelnemers in de fondsen. Het zelfs niet kunnen uitbetalen van nominale pensioenen is een gevolg van wanbeleid en dus onacceptabel. Publiek onderzoek naar en openheid over dit wanbeleid zijn vereist.
  4. Ouderen zijn de basis, de hoeksteen en het cement van de samenleving en welvaart, die mede door hen tot stand is gebracht. Zij hebben het niet verdiend de schuld te krijgen van crisis en tekorten. Men moet stoppen met het te pas en te onpas blijven hameren op de vergrijzing als bron van alle kwaad, waardoor ouderen tot zondebok gemaakt worden.
  5. Het achterwege blijven van indexatie, met aanzienlijk cumulatief koopkrachtverlies als gevolg, is onaanvaardbaar. Pensioenen moeten worden geïndexeerd met de inflatie. De toezichthouder moet dit dwingend opleggen aan de pensioenfondsen. Desnoods moeten werkgevers en overheid worden gemaand tot bijstorting, zeker als het ‘afstempeling’ van de aanspraken betreft.
  6. Gepensioneerden zijn aandeelhouders in en mede-eigenaren van de pensioenspaarpotten, maar hebben daarover geen snars te vertellen. Zij moeten eindelijk de invloed te krijgen die hen door werkgevers en vakorganisaties onthouden is. Een eerste stap naar volwaardige medezeggenschap is proportionele vertegenwoordiging in besturen en deelnemersraden. Bij belangrijke beslissingen is instemmingsrecht vereist.
  7. Het financieel toezicht op de pensioenfondsen dient transparant en adequaat te worden. Er moet veel meer rekening worden gehouden met het lange termijn karakter van pensioenfondsen.
  8. De gebrekkige begrotingsdiscipline in de Eurozone bedreigt het Nederlandse pensioenstelsel. Daarom is handhaving van het stabilisatiepact een absolute voorwaarde.
  9. Gepensioneerden staan vooral politiek buitenspel en vormen een sluitpost van het economisch beleid. Ouderen in Nederland doen er daarom verstandig aan zich te verenigen in strijdbare belangenorganisaties, zoals de NBP, die specifiek hun belangen vertegenwoordigen. Van vakorganisaties hoef je dat niet te verwachten.
  10. De in goede tijden door werkgevers (waaronder de overheid) aan pensioenfondsen onttrokken middelen dienen onverwijld teruggestort te worden. De financiële gezondheid moet worden hersteld om afstempeling te voorkomen en indexatie mogelijk te maken.

Uitgegeven door de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen ter gelegenheid van het negentigjarig bestaan op 12 mei 2009