A Het Nederlandse pensioenstelsel
B Toelichting op de pijlers van ons stelsel
C Sterkte-zwakte onderzoek van het huidige pensioenstelsel
D Samenvatting

A Het Nederlandse pensioenstelsel

Het Nederlandse pensioenstelsel wordt vaak uitgedragen als het beste pensioenstelsel van de wereld. De laatste tijd komen er wel barsten en scheuren in dit stelsel en wordt er door de politiek, werkgevers en werknemers koortsachtig gezocht naar oplossingen. In deze paragraaf willen we ons uitsluitend beperken tot het pensioenstelsel, hoe het werkt en welke onderdelen deel uitmaken van ons stelsel.

Ons pensioenstelsel is gebaseerd op het zogenaamde 3 pijlersysteem. Hieronder geven we uitleg van de drie pijlers.

pensioenhuis

Eerstepijler:

De eerste pijler behelst de AOW. De AOW wordt opgebouwd in 50 jaar met 2% per jaar vanaf leeftijd 15 tot en met 65 jaar indien men in Nederland woont. Als men een aantal jaren in het buitenland heeft gewoond en geen premie heeft betaald wordt men met 2% per jaar gekort op de toekomstige AOW uitkering. De AOW leeftijd wordt vanaf 2013 in stappen verhoogd naar leeftijd 66 in 2019 tot leeftijd 67 in 2023. De AOW wordt daarna afhankelijk van de levensverwachting wat inhoudt dat als de levensverwachting stijgt ook de AOW leeftijd verder stijgt.

In 2013, 2014 en 2015 stijgt de AOW leeftijd ieder jaar met 1 maand. Vervolgens stijgt de AOW leeftijd met 2 maanden in 2016, 2017 en 2018. In 2019 is de AOW leeftijd 66 en stijgt vervolgens met 3 maanden zodat in 2023 de AOW leeftijd 67 jaar is.
Voor de actuele AOW bedragen verwijzen wij u naar de SVB (Sociale Verzekeringsbank) www.svb.nl/aow

De overheid is voornemens de AOW leeftijd nog sneller te laten stijgen zodat de AOW leeftijd in 2018 al op 66 jaar komt en in 2021 op 67 jaar. Dit is een uitsluitsel van het deelakkoord en moet nog in wetgeving worden omgezet. De AOW is een volksverzekering met een basispensioen en heeft hiermee als groot succes dat armoede bij gepensioneerden in Nederland weinig voorkomt.

Tweede pijler:

De tweede pijler is het pensioen dat u opbouwt via uw werkgever. We onderscheiden hier bedrijfstakpensioenfondsen bv. ABP voor overheidspersoneel en Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouw voor werknemers in de bouw. Daarnaast is er nog een aantal ondernemingspensioenfondsen bv. van Philips, Shell, ING en DSM. Tot slot is er nog een aantal beroepspensioenfondsen bv, voor advocaten, huisartsen en medisch specialisten. Voor de werkgevers en werknemers die niet onder een verplicht bedrijfstakpensioenfonds vallen en die ook geen eigen pensioenfonds (willen) hebben is er de mogelijkheid om een pensioenvoorziening af te spreken met een pensioenverzekeraar. De onderlinge verhouding is dat de bedrijfstakfondsen ca 80% van het totaal uitmaken, de ondernemingsfondsen ca 10% en de verzekeraars ook 10% terwijl beroepspensioenfondsen feitelijk marginaal zijn.

De meest voorkomende pensioenregelingen zijn; de uitkeringsovereenkomst op basis van het middelloon en de beschikbare premieregeling. De uitkeringsovereenkomst houdt in dat de hoogte van de uitkering vast staat en afhankelijk is van het gemiddelde salaris gedurende de werkzame periode die men doorbrengt binnen een dienstverband waar de pensioenregeling op van toepassing is. In het verleden kenden we ook de eindloonregeling, het maximaal op te bouwen pensioen wordt dan gerelateerd aan het laatstverdiende salaris voorafgaand aan de pensioendatum. Deze regelingen zijn grotendeels afgeschaft vanwege de hoge kosten/lasten door de automatische indexatie van de opgebouwde aanspraken. In sommige ondernemingspensioenfondsen komen ze nog wel in beperkte mate voor.

De beschikbare premieregeling is een premieovereenkomst en komt vooral voor bij verzekerde regelingen. Alleen de premie staat vast. De hoogte van het pensioen hangt af van het beschikbare kapitaal en de levensverwachting op de pensioendatum.

Derde pijler:

In de derde pijler heeft men de mogelijkheid om als individu zelf maatregelen te nemen indien men tot de conclusie komt dat het inkomen uit de eerste en tweede pijler onvoldoende zou zijn voor een adequaat inkomen op de pensioenleeftijd. Hiervoor gelden wel strikte fiscale grenzen. Het kan natuurlijk ook dat u een extra inkomen wilt opbouwen voor uw inactieve periode. Zelfstandige ondernemers kunnen geen gebruik maken van de tweede pijler en moeten dus een pensioenvoorziening opbouwen via de derde pijler.

Er is een aantal mogelijkheden om dit te realiseren:
De deelnemer maakt gebruik van een lijfrenteverzekering of lijfrente banksparen waarbij de premie aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting, de uitkeringen te zijner tijd zijn wel belast. De deelnemer kan er ook voor kiezen om te sparen op een spaarrekening die u te zijner tijd kunt aanwenden als aanvulling op uw pensioen.

B Toelichting op de pijlers van ons stelsel.

Eerste pijler

De eerste pijler is een basispensioenvoorziening voor iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft. Men bouwt dit pensioen op door gedurende vijftig jaar in Nederland te verblijven. De premie wordt geheven over het inkomen waarvoor een maximum geldt. Zij, die tijdelijk in het buitenland wonen en daardoor geen AOW-aanspraken verwerven, kunnen er voor kiezen de premie vrijwillig te betalen. Vanaf de pensioenleeftijd wordt het pensioen uitgekeerd en betaald via het omslagstelsel. Zolang de ingelegde premies groot genoeg zijn voor de uit te keren pensioenen is er nog evenwicht in het omslagstel. Echter zodra de totale premie te laag wordt voor het totale pensioenbedrag in die periode moet uit de algemene belastingmiddelen het verschil worden bijbetaald. Op dit moment zijn de premie-inkomsten toereikend voor ongeveer 65% van de AOW uitgaven. Dat betekent dat 35% wordt aangevuld vanuit de algemene middelen. Dat komt niet door toename van de uitkeringen maar door fiscale veranderingen waardoor de premiegrondslag aanhoudend is verlaagd. Was tot 1989 het premie-inkomen bijna driemaal het minimumloon, nu is de premiegrondslag gelijk aan het minimumloon.

Het omslagstelsel is een relatief duur stelsel omdat de beleggingsbaten die via een kapitaaldekkingstelsel, zoals in de tweede pijler worden gegenereerd, hier ontbreken. Ten tijde van de opkomst van de aardgasbaten is besloten een AOW fonds in te richten op kapitaaldekkingsbasis, maar dit fonds is nooit gevuld en ook weer ter ziele gegaan. De overheid heeft nu eenmaal moeite met lange termijnplanning en komt altijd geld te kort. Als dit fonds zou zijn ingericht had de overheid nu miljarden euro’s minder uit de belastingopbrengsten aan AOW hoeven te betalen. Uitgangspunt blijft dat de eerste pijler een basispensioen is en dat we de tweede (en sommigen ook de derde) pijler nodig hebben als aanvulling. Slechts zo is een financieel gezonde oude dag mogelijk op basis van de gedachte dat je levensstijl na je pensioen op dezelfde wijze kan worden voortgezet.

Tweede pijler

In de tweede pijler wordt een meestal verplicht aanvullend pensioen voor werknemers opgebouwd via het kapitaaldekkingsstelsel. Het pensioen voor tenminste 90% van de deelnemers is een uitkeringsovereenkomst. De uitvoerders zijn pensioenfondsen en verzekeraars, die de door werkgevers en werknemers ingelegde premies beleggen en op deze wijze een pensioenvermogen opbouwen. Het totale vermogen dat wordt uitgekeerd tijdens de pensioenperiode bestaat voor ongeveer 20% uit het totaal van de ingelegde premies over tientallen werkzame jaren en voor ongeveer 40% uit de beleggingsresultaten, die in die periode zijn behaald. Na de pensioenleeftijd wordt nog 40% gerealiseerd. Dat is bij een premieovereenkomst niet het geval, daarvan wordt het kapitaal , inclusief beleggingsresultaten opgebouwd tijdens het werkzame leven, maar op de datum van het pensioen wordt het aldus opgespaarde kapitaal omgezet in een lijfrente, uitgaande van een risicovrije rentevoet.

De beleggingsresultaten zullen natuurlijk fluctueren, maar bedroegen over een periode van 40-50 jaar gemiddeld, na aftrek van de beheerskosten, tussen de 5% en 6%. Dit houdt dan wel in dat een groot deel van dit vermogen risicovol wordt belegd, anders zou het rendement en daarmee de hoogte van het pensioenvermogen en het uit te keren pensioen, lager uitvallen. Uit bovenvermelde cijfers wordt het grote voordeel van een kapitaaldekkingsstelsel boven een omslagstelsel wel duidelijk. In het algemeen wordt een overeenkomst gesloten tussen pensioenfonds en de werkgever van de deelnemer dat er aanspraak is op een pensioenuitkering, afhankelijk van ingelegde premie en het aantal werkzame jaren dat cumulatief kan oplopen tot 75% van het gemiddeld verdiende salaris gedurende de werkzame periode inclusief de AOW uitkering. Indexatie van de uitkering wordt niet gegarandeerd maar is bij de meeste pensioenfondsen wel uitdrukkelijk een ambitie waarvoor een inspanningsverplichting bestaat. Voor het bereiken van de 75% van het middelloon moet wel tenminste 40 jaar pensioen zijn opgebouwd.
Er zijn in het huidige stelsel een groot aantal pensioenfondsen, ongeveer 400 ondernemingspensioenfondsen en ongeveer 85 bedrijfstakpensioenfondsen. Pensioenfondsen wijken qua karakter af van verzekeraars; de laatste zijn commerciële organisaties, pensioenfondsen niet. Beide soorten hebben gemeenschappelijke karakteristieken en solidariteitspunten, maar verschillen ook hierin.
Ze hebben een collectief karakter, dit wil zeggen dat er geen sprake is van individuele vermogensopbouw. Indien de werknemer komt te overlijden vervalt het bedrag dat nog in zijn/haar pensioenopbouw zit aan de reserves van het fonds. Hieruit wordt dan het pensioen betaald van werknemers, die langer leven dan de periode waarover hun pensioen is opgebouwd [gemiddelde sterftetabel]. Dit is één van de belangrijke solidariteitsbeginselen, die in het stelsel zijn ingebouwd.
Nagenoeg in alle gevallen wordt een pensioenvermogen opgebouwd met doorsnee premies. Door het grote effect van langdurig belegde premies kun je bij doorsneepremies vaststellen dat jeugdige deelnemers, die halverwege uittreden een subsidie geven aan deelnemers, die later intreden. Ook dit past in het uitgangspunt van de solidariteit. Indien 40 jaar pensioen wordt opgebouwd gaat dit niet op, dan valt de “subsidie” immers toe aan de pensioenuitvoerder. De omvang van het pensioenvermogen is vooral door het beleggingseffect zeer groot. Op dit moment is een bedrag van ongeveer € 1.200 miljard belegd in pensioenvermogen. In 2007 was dit nog € 750 miljard. Een forse toename ondanks de financiële crisis.

Derde pijler

In de derde pijler worden de resterende pensioenen ondergebracht bij verzekeraars;dit zijn bijv. pensioenvermogens van Nederlanders,die geen werknemer zijn geweest en dus geen tweede pijler aanvullend pensioen hebben opgebouwd. Ook particulieren en werknemers,die weten dat hun tweede pijlerpensioen te laag is kunnen hier terecht voor een aanvulling. Er is in deze pijler geen verplichte opbouw. Het totale pensioenvermogen in de derde pijler is onbekend. Wij schatten dat er bij verzekeraars nog wel € 300 miljard is ondergebracht in de derde pijler, wellicht nog een hoger bedrag.

Fiscale faciliteit

In Nederland geldt de omkeerregel bij een pensioenopbouw tot een bepaalde bovengrens van nu € 100.000 per jaar. Dat wil zeggen dat de premie afdracht vrij is van IB heffing en de pensioenuitkeringen IB worden belast. Dit is uiteraard voordelig voor de deelnemers, maar ook de belastingdienst vaart hier wel bij doordat ook inkomstenbelasting wordt geheven over het toegevoegde beleggingsrendement. Men zou kunnen zeggen dat de fiscale behandeling van het aanvullend pensioen het mogelijk maken om inkomstenbelasting te heffen over kapitaalswinsten die behaald zijn over de eerder fiscaal vrijgestelde premies.

C Sterkte- zwakte onderzoek van het huidige pensioenstelsel

Ons pensioenstelsel behoort tot de sterkste stelsels van de wereld. Voordat we dus allerlei zaken op de schop gooien is het goed uit te gaan van de regel: Onderzoekt alles maar behoudt het goede.

Wij hebben een robuust stelsel, niettemin is de Sociaal Economische Raad [SER] op verzoek van het Kabinet een onderzoek gestart naar verbeterpunten om het stelsel toekomstbestendiger te maken. Dat is een goede zaak, wij participeren in dit onderzoek en zullen aangeven wat naar onze mening verbeterd moet worden en wat al goed is. De SER geeft een aantal punten aan, vervolgens zullen wij er nog een aantal aan toevoegen. Bijna alle punten hebben betrekking op de tweede pijler.

1. Collectiviteit, keuzevrijheid, maatwerk,
2. Risicodeling en solidariteit,
3. Vermogensopbouw in bredere zin dan alleen voor een aanvullend pensioen, maar ook voor wonen en zorg.

Door ons zijn toegevoegd:

4. De ontwikkeling van de arbeidsmarkt,
5. Ingrijpen van de overheid in de uitvoering van ons stelsel voor wat betreft de aanvullende pensioenen,
6. Overige punten.

Ad1. Collectiviteit, keuzevrijheid, maatwerk,

In de huidige maatschappij is keuzevrijheid een belangrijk uitgangspunt, dat ook door de NBP wordt ondersteund. Wij zijn echter tegen keuzevrijheid die de wortels van het tweedepijlerstelsel aantasten en daarmee de collectiviteit en solidariteit op het spel zetten. Juist dankzij deze uitgangspunten hebben we een goed werkend stelsel. Dit willen we niet op het spel zetten.
Waar wel keuzemogelijkheden liggen is op het gebied van de start van de pensioenleeftijd. Die mogelijkheden zijn er nu al en kunnen ook blijven omdat ze de wortels van het stelsel niet aantasten.
In het huidige stelsel wordt bij een pensioenovereenkomst tussen de werkgever van de deelnemer en het fonds vaak gewerkt met een doorsneepremie. Ook dit is een solidariteitsprobleem, maar dan tussen verschillende leeftijdsgroepen van de actieve deelnemers. Aanpassingen hiervan zijn technisch gezien mogelijk met een degressieve premieopbouw, maar het maakt het stelsel wel weer ingewikkelder. Omdat in feite carrières tegenwoordig veel brokkeliger verlopen is het invoeren van een degressieve opbouw, waardoor de nadelen van de doorsneepremie worden gemitigeerd, aanvaardbaar.
Ook gaan er stemmen op om een zeker geïndiceerd pensioen veilig te stellen op een hoogte van ongeveer modaal en het restant een risicokarakter te geven. De huidige grens van 100.000 euro voor fiscaal gefaciliteerd pensioensparen moet wél in stand blijven. Plannen om deze grens nog verder te verlagen wijzen wij af

Ad 2 Risicodeling en solidariteit

Er gaan ook stemmen op van mensen die wensen de pensioenopbouw zelf te regelen en die dus tegen verplichte deelname zijn. Die verplichting is erin gekomen om mensen tegen zichzelf te beschermen en niet voor niks. Keuzevrijheid op het gebied van deelname zal het systeem onderuit halen. Individuen kunnen nooit een pensioen opbouwen zoals een pensioenfonds doet. Ook wordt in deze opbouw dan het werkgeversdeel gemist en dat is in feite onmisbaar voor een goede opbouw.
Ons stelsel kent vele vormen van solidariteit, die onmisbaar zijn voor een goede werking. Ook de keuze tussen risicovol en risicoloos beleggen is geen echte keuze. Risicoloos beleggen betekent onvoldoende pensioenopbouw. Risicovol heeft op de korte termijn gezien ook nadelen, maar past heel goed bij het lange termijn karakter van ons stelsel met looptijden tot ruim 60 jaar. Het gemiddelde risicovolle rendement is dan substantieel hoger dan het risicoloze, veelal meer dan 2 procentpunt.
De keuze tussen zekerheid en risico is ingebouwd in de keuze tussen het betalen van een premie voor een uitkeringsovereenkomst of een beschikbare premieregeling. Bij de eerste wordt indexatie niet gegarandeerd maar wel als ambitie in het vooruitzicht gesteld, bij de tweede is er geen sprake van indexatie en kan ook nog het opgebouwde pensioen lager uitvallen dan gedacht. De uitkering wordt immers berekend op de pensioendatum en is daarmee afhankelijk van de rentestand op dat willekeurige moment. Wij ondersteunen daarom ook de voorstellen die nu worden uitgewerkt door de regering om voor premieovereenkomsten ook na de pensioendatum het vermogen te beleggen en de opbrengsten ten goede te laten komen van de uitkering.

Ad 3 Vermogensopbouw in bredere zin.

Ons standpunt is dat pensioen wordt opgebouwd voor een pensioenuitkering en niet voor andere zaken. Pensioensparen voor aflossing van de hypotheek tast de wortels van het stelsel aan omdat het zich niet verenigt met het collectieve en solidaire karakter van pensioensparen via een pensioenfonds. Deelnemers zijn immers geen eigenaar van een deel van het vermogen maar eigenaar van een uitkeringsrecht.

Ad 4 De ontwikkeling van de arbeidsmarkt

Dit is het eerste thema dat door de NBP is toegevoegd . Ons huidige stelsel is gebaseerd op een verplichte deelname van mensen die vaak langdurige en vaste contracten hadden, waardoor de pensioenopbouw optimaal geregeld was. Tegenwoordig nemen flexibele en tijdelijke contracten de regie over. Verder zien we een verschijnsel dat door de moeilijke arbeidsmarkt ontslagen werknemers min of meer gedwongen worden als zelfstandige zonder personeel (ZZP’er ) te gaan opereren
Zolang de persoon als werknemer optreedt zou een verplichte deelname aan een pensioenfonds moeten worden overeengekomen.
Een ZZP‘er is formeel een ondernemer, niettemin wil men ZZP-pensioenfondsen gaan oprichten in de tweede pijler in plaats van in de derde pijler. Doordat mensen vaak noodgedwongen als ZZP‘er opereren, is er wel wat te zeggen voor een ZZP-pensioenfonds. Er zijn meerdere categorieën ZZP‘ers. Een deel is bewust ondernemer geworden en zou de pensioenvoorziening dan ook in de derde pijler moeten regelen, een ander deel kan nauwelijks het hoofd boven water houden en is dan vaak ook niet in staat premie voor de pensioenopbouw en zelfs niet voor arbeidsongeschiktheid af te dragen. Wij pleiten voor wetgeving waarin op de factuur van de ZZP‘er een vergelijkbare opslag voor de pensioenopbouw wordt geregeld als voor de btw-opslag. Dit bedrag wordt dan afgedragen aan een ZZP-pensioenfonds.

Ad 5 Ingrijpen van de overheid met wetgeving in de uitvoering van het tweede pijler pensioen

Wij zijn er van overtuigd dat ons tweedepijlerpensioenstelsel slecht functioneert omdat de overheid van mening is zich met gedetailleerde wetgeving met deze uitvoering te moeten bemoeien. Daarbij worden oplossingen gezocht voor vermeende problemen. Volgens de voorschriften in het financiële toetsingskader wordt de dekkingsgraad berekend van een pensioenfonds. De dekkingsgraad bepaalt of pensioenfondsen mogen indexeren of zelfs moeten korten. Dit gebeurt dan met behulp van een formule waarin voor het contant maken van de verplichtingen van een fonds de risicoloze marktrente wordt gehanteerd, waarbij wordt uitgegaan van de interbancaire swaprente. Deze rekenrente wordt door de Europese Centrale Bank bewust op een zo laag mogelijk niveau gehouden en is dus feitelijk geen marktrente. Daarmee verliest dit percentage alle ruimte om te worden toegepast in een rekenformule, die bepaalt of pensioenfondsen in staat zijn te indexeren. Daarvoor zou de rekenrente een relatie moeten hebben met het beleggingsrendement.

Door de extreem lage rekenrente, die in Nederland afgeleid wordt van de interbancaire swaprente en niet, zoals in Zwitserland bijvoorbeeld van het toekomstige beleggingsrendement, wordt de contante waarde van de verplichtingen veel te hoog weergegeven, hetgeen de dekkingsgraad zodanig negatief beïnvloedt dat indexatie onmogelijk wordt gemaakt. Is dit een berekening van de mogelijkheid van de fondsen; nee dat is het niet. Mocht de interbancaire swaprente morgen naar 5% klimmen, dan zijn plotseling de fondsen rijk genoeg om zelfs de achterstallige indexatie aan te pakken. Dit is toch een duidelijk bewijs dat de huidige toepassing van een rekenrente een foute keuze is. Het vermogen van de fondsen groeit met het rendement, dat is de bepalende factor en niet de rekenrente of marktrente. Ook de uitspraak dat het rendement mogelijk naar het marktrente niveau van 1% kan zakken is veel te pessimistisch. Rendementen op vermogens maken over de zeer lange termijn al meer dan 150 jaar een gemiddeld rendement van 5%. Het is dan ook ronduit onfatsoenlijk de bewust laag gehouden rekenrente als disconteringspercentage te gebruiken voor de verplichtingen van pensioenaanspraken en niet het toekomstige beleggingsrendement.
Een lage rente als discontovoet zou nog begrijpelijk zijn als de uitkomst van de aldus geconstrueerde berekening ook beschouwd zou worden als een dekkingsgraad op risicovrij niveau. Maar de overheid eist van pensioenfondsen naast deze uiterst voorzichtige en conservatieve berekening dat ook onwaarschijnlijk hoge buffers worden aangehouden, zogezegd om klappen op de financiële markten op te vangen. Bovendien legt de overheid tot in detail in de wet- en regelgeving vast wanneer en hoeveel mag worden geïndexeerd bij welke dekkingsgraad en wanneer en hoeveel mag worden besteed aan inhaalindexatie.
Hier maakt de overheid misbruik door onnodige wetgeving over een onderwerp waar de betrokkenen veel te weinig van afweten om hierover zinvol in debat te gaan. Zelfs de betrokken politici beheersen dit onderwerp te weinig. Ons standpunt is dat de overheid moet terugtreden met wetgeving op dit gebied. Pensioenfondsen, werkgevers, werknemers en gepensioneerden zijn mans genoeg om de uitvoering zelf te regelen, zeker nu de vertegenwoordiging in pensioenfondsenbesturen onderhevig is aan strenge controle van De Nederlandsche Bank (DNB).

De vaste greep die de overheid op de pensioenfondsen heeft moet verklaard worden uit een eis die onverwacht in de Pensioenwet van 2006 terecht is gekomen. Het betreft de zekerheidseis van 97,5%, waarmee bedoeld wordt dat de toezegging aan de gepensioneerde moet worden waargemaakt met de zekerheid dat slechts eenmaal in de veertig jaar zal worden gekort op de nominale uitkering. De overheid heeft nooit willen of kunnen onderbouwen waarom deze eis juist wordt vastgesteld op 97,5% (waarom niet op 90%) en hoe de relatie is tussen de opstapeling van middelen (risicovrije rente, hoge buffers, beperkingen aan indexatie en inhaalindexatie) en de zekerheidseis is. De indruk bestaat dat het stelsel door angst van overheid en DNB voor kortingen zodanig ingewikkeld en conservatief wordt gehouden dat er nooit meer kan worden geïndexeerd.

Wij zijn er voorstander van om de zekerheidseis te laten vallen. Sinds het bestaan van deze eis is bij vele pensioenfondsen gekort op de nominale uitkering, bij sommige fondsen twee keer binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de wet. Het doel wordt bij deze fondsen dus in ieder geval niet gehaald: nominale korting slechts eenmaal in de veertig jaar. Maar bovendien moet worden gezegd dat de zekerheidseis vóór 2007 niet in de wet vastgelegd was.

Wij zijn ervoor dat een vaste rekenrente wordt gehanteerd van 2,7% voor zowel de vaststelling van de premies als de voorziening pensioenverplichtingen. Deze rekenrente is gebaseerd op een voorzichtig vastgesteld gemiddeld gerealiseerd rendement, gecorrigeerd voor de kosten van het pensioenfonds, de veranderingen in de sterftetafels en de inflatie. Het verschil tussen deze rekenrente en het gemiddelde netto rendement over bijvoorbeeld 13 jaren wordt aangewend voor minimale buffervorming van 5% en indexatie.

Wat is de realiteit. De vermogens van onze pensioenfondsen hebben een totale waarde van € 1200 miljard. Bij een voorzichtig geschat gemiddeld netto rendement van 5% groeit dit vermogen al met €60 miljard per jaar. Ongeveer twee derde hiervan komt als direct rendement liquide beschikbaar in de vorm van rente, dividend, huur etc. Met de betaalde premies daarbij opgeteld is de cashflow meer dan groot genoeg om de geïndexeerde pensioenen van toekomstige en huidige generaties gepensioneerden te betalen en tegelijkertijd het vermogen nog verder te laten groeien. Over 2013 zijn de volgende cijfers bekend: ontvangen premie-inleg plus cash rendement is € 65 miljard, kosten van beheer en bedrijfsvoering van de fondsen plus pensioenuitkeringen (veelal zonder indexatie) is €36 miljard; er is dus een positief saldo van €29 miljard, dat wordt toegevoegd aan de belegde middelen waarvan de illiquide waarde ook nog verder is gegroeid. De verwachting is dat dit saldo zelfs op de top van de ‘grijze golf ‘ over 20 jaar nog niet tot een daling van het pensioenvermogen zal leiden. Op een gegeven moment komen we er weer achter dat er te veel vermogen in de fondsen is opgepot en dat er dus weer ruimte is voor andere bestedingen. Denk aan 1995, toen de pensioenvermogens te hoog werden geacht en er een wetsvoorstel werd ingediend om de vermogen af te romen boven een dekkingsgraad van 115%, een dekkingsgraad die nota bene nu, bij een veel lagere rente, nog niet genoeg wordt geacht om volledig te indexeren! L‘histoire se répète.

Het gevolg is wél dat de huidige generatie gepensioneerden en actieve werknemers een lager pensioen opbouwen resp. genieten dan mogelijk is en waarop ze hadden gerekend. De fondsen hebben meer dan voldoende vermogen voor indexatie. Ook al zou het totale vermogen dalen, dan is dat nog niet erg. Het gaat erom dat er voldoende vermogen in de fondsen zit om de toekomstige verplichtingen te kunnen betalen. Over de hele linie wordt het effect van het beleggingsrendement enorm onderschat.

Wij sturen een samenvatting mee van de door de NBP ontwikkelde FTK formule onder de titel ‘Naar een nastrevenswaardig pensioen’ in de verwachting dat tegen onze wens in deze wettelijke overheidsinmenging wel gehandhaafd zal blijven. Het is een goede specifieke aanvulling op dit algemene visieverhaal. Een integrale weergave van het voorstel kan worden gevonden op de website van de KNGV en die van de NBP.

Ad 6 Overige punten
Het nu incasseren van de latente belasting in de pensioenfondsen

Het gevolg geven aan dit voorstel zou betekenen dat de overheid in één keer de staatsschuld zou kunnen aflossen. Het nadeel is natuurlijk dat de pensioenopbouw door het wegvallen van het rendementsvoordeel lager zal uitvallen en dat de toekomstige belastingbaten voor de overheid ook aanzienlijk lager zullen uitvallen. Een slecht voorstel dus, omdat het toekomstige generaties belast met lagere belastinginkomsten. Bovendien ook politiek onaantrekkelijk, omdat toekomstige politici ervan moeten worden weerhouden om alsdan alsnog inkomstenbelasting te gaan heffen, ook al is dat al eerder gebeurd.

Beperking van het aantal pensioenfondsen

Op dit moment is er al een stevig dalende lijn in het aantal fondsen. Relatief kleine fondsen hebben minder mogelijkheden om effectief een goed pensioen voor haar deelnemers op te bouwen. Ook op het gebied van beleggen zijn ze minder effectief. Er gaan stemmen op om de fondsen niet meer te koppelen aan bedrijfstakken en ondernemingen maar te beperken tot bijvoorbeeld zes grote fondsen waaruit de deelnemers vrij kunnen kiezen, waarbij dan ook naar effectiviteit wordt gekeken. Problemen als overdrachten en dergelijke worden dan ook aanzienlijk beperkt. De NBP heeft geen overwegende bezwaren tegen deze ontwikkeling zolang het maar niet door overheidsingrijpen wordt afgedwongen. Een dergelijke concentratie moet op basis van een zakelijke afweging tot stand komen. De centrale doelstelling moet blijven dat de activiteiten van pensioenfondsen moeten leiden tot een zeker pensioen voor de pensioengerechtigden.

D Samenvatting

1. Nederland heeft een uitstekend stelsel voor aanvullende pensioenen [tweede pijler], bestemd voor werknemers; de nadruk in het visieverhaal ligt op deze pijler. Aanvullende pensioenen zijn noodzakelijk omdat de inkomensval bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd veel te groot is als men alleen het basispensioen, de AOW, zou ontvangen. Het streven is dat het netto pensioen, incl. AOW, 75% van het netto geïndexeerde middelloon bedraagt. Daartoe moet over ca 40 jaar premie door werkgevers en werknemers worden afgedragen,die door het pensioenfonds risicovol worden belegd. Hierdoor ontstaat recht op een pensioenuitkering bij leven. Het aanvullende pensioen wordt gevormd via een kapitaaldekkingsstelsel, waar het beleggingsrendement een zeer grote rol speelt bij de opbouw van het pensioenvermogen. Het is een collectief stelsel, wat inhoudt dat de deelnemer geen recht op het vermogen heeft maar op een uitkering. Verder zijn er solidariteitsregels ingebouwd,die vaak de keuzemogelijkheden beperken.

2. Wij zijn tegenstander van keuzevrijheden die de wortels van het stelsel aantasten door in te grijpen in de collectiviteit en solidariteit van het stelsel. De verplichte deelname moet ook in de toekomst bij een meer flexibele arbeidsmarkt worden gegarandeerd. Onderzoek alles maar behoudt het goede is onze stelregel. Gedetailleerde wetgeving, die ingrijpt in details van een privaatrechtelijke overeenkomst is het grootste gevaar voor ons stelsel. Door de huidige, extreem strenge regelgeving in de vorm van het nieuwe financieel toetsingskader dat met ingang van 2015 van kracht is geworden, zal de indexatie van pensioenuitkeringen, die voor de meeste fondsen al jaren stil ligt, nog vele jaren onnodig worden geblokkeerd. De NBP is tegen deze wetgeving; zij beseft echter dat die niet snel van tafel zal zijn en heeft een alternatief ontworpen in de vorm van het nastrevenswaardig pensioen dat bij punt 7 van de samenvatting wordt besproken. De pensioenvermogens ontwikkelen zich positief; de huidige waarde ligt al boven de €1200 miljard en komt van € 750 miljard voor de crisis. Er is best ruimte voor indexatie van pensioenen; miljoenen deelnemers in ons stelsel worden benadeeld door hun inkomens onnodig niet te indexeren. Cumulatief leidt dit al snel tot een onacceptabele inkomensdaling voor de huidige generatie gepensioneerden, maar ook voor de toekomstige generaties, terwijl de pensioenvermogens zelfs op de toekomstige top van de vergrijzing niet zullen dalen. Wat de overheid voor plannen heeft met deze strenge wetgeving is onduidelijk; over tien jaar komen ze er achter dat er teveel geld in de fondsen zit. Wil men enorme buffers bouwen? Worden er andere bestemmingen gevonden? Komt er dan een parlementaire enquête? Wij willen niet zo lang wachten.

3. Het is dus in het belang van ons allen dat de mogelijkheid voor opbouw van een aanvullend pensioen in de tweede pijler gehandhaafd blijft. De arbeidsmarkt zal er anders uit gaan zien dan we in het verleden gewend waren. De vaste dienstverbanden worden eerder uitzondering dan regel . Echter ook in de vorm van variabele dienstverbanden zal een verplichte pensioenregeling gehandhaafd moeten blijven. Voor ZZP -ers, die formeel geen werknemers zijn en vaak niet in staat zijn een aanvullend pensioen op te bouwen pleiten we voor een wettelijke regeling waarbij via een opslagpercentage , vergelijkbaar met de btw , een voorziening kan worden gevormd, die rechtstreeks aan een ZZP pensioenfonds kan worden afgedragen.

4. Wij zijn voorstander van de vorming van een beperkt aantal pensioenfondsen, die niet ondernemings- of bedrijfstak gebonden hoeven te zijn. Werknemers hebben dan de mogelijkheid hun eigen pensioenfonds te kiezen en daar ook bij te blijven ondanks het wisselen van werkgever. Ook verandering van pensioenfonds behoort dan tot de mogelijkheden. Marktwerking tussen pensioenfondsen komt dan in zicht. Maar wij zijn tegen een wettelijk kader dat zo’n ontwikkeling zou afdwingen.

5. De keuze die werknemers zouden willen hebben om af te zien van deelname aan een aanvullende pensioenregeling wijzen wij volledig af. De meeste Nederlanders zijn niet bovenmatig in hun ouderdomspensioen geïnteresseerd. Een vrije keuze zal ertoe leiden dat een stevig percentage een grote en ongewenste inkomensval zal moeten incasseren bij pensionering. Zij moeten dit dan in een veel te laat stadium onder ogen zien. De verplichte deelname is een belangrijk fundament van ons stelsel.

6. De keuzemogelijkheden om pensioenvermogen te gebruiken voor wonen of zorg wijzen we af omdat dit het collectiviteitstelsel aantast. Je hebt recht op een pensioenuitkering en niet op pensioenvermogen.

7. De stelselwijziging leidt tot een groot aantal artikelen in de pers; het gaat te ver om op al die voorstellen in te gaan. Eén voorstel gaat over het afschaffen van de fiscale uitstelregeling. De overheid kan dan ca € 400 miljard uit de pensioenfondsen onttrekken waardoor de staatschuld zou kunnen worden afgelost. Vergeten wordt dan dat deze € 400 miljard nu ook belegd wordt en een goed rendement oplevert en betere pensioenuitkeringen, die ook weer hogere belastingopbrengsten geven. Een voorbeeld van een slecht plan, zoals er veel slechte plannen worden ontwikkeld in de stelseldiscussie.

8. Wij hebben een voorkeur voor een uitkeringsregeling boven een beschikbare premieregeling omdat in het eerste geval er in ieder geval een ambitie tot indexatie is die bij de beschikbare premieregeling ontbreekt. Bovendien is bij een beschikbare premieregeling de uitkering afhankelijk van de toevallige rentestand op het moment van pensionering. Eventuele mogelijkheden om te blijven beleggen na de pensioendatum kunnen wij ondersteunen.

9. Uit het visieverhaal komt duidelijk naar voren dat wij tegenstanders zijn van de overheidsinmenging in de aanvullende pensioenen. In beginsel zijn de pensioenfondsen goed in staat om het aan hun toevertrouwde vermogen te beheren. In de besturen worden vertegenwoordigers van werkgevers,werknemers en gepensioneerden benoemd, die aan strenge eisen van De Nederlandsche Bank moeten voldoen. Ook de NBP levert vertegenwoordigers in het verantwoordingsorgaan van een aantal pensioenfondsen.

10. In Europa bestaan regels [IORP], die overheidswetgeving regelen. Deze regels verschillen echter per lid van de EU. Nederland heeft bijv. veel strengere regels dan andere landen. De NBP heeft een stelsel ontworpen dat veel beter zal aansluiten op ons pensioenstelsel dan het door de overheid ontwikkelde FTK systeem. Dit is weergegeven in een manifest ‘Naar een nastrevenswaardig pensioen dat kan worden gevonden op de websites van de koepelorganisatie KNGV en de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen.[www.pensioenbelangen.nl]