Een 10 met een griffel

Joop van Vliet

logo-jonge-democratenlogo-jonge-socialistenlogo-jovd

Het door de politieke jongerenorganisaties “Jonge Democraten”, “Jonge Socialisten” en “JOVD” gelanceerde 10-puntenplan voor de 2e pijler van ons pensioenstelsel, verdient een dikke 10 met een griffel, maar zonder zoen van de juffrouw. Die 10 is vooral voor de moed om de veel betreden paden te verlaten en met iets nieuws te komen, want er zijn wat minder goede en zelfs overbodige punten. Snel maar eens verder met wat ik goed of zelfs erg goed vind:

 

1, 2, 3

In punt 1 wordt pensioenplicht voor werknemers omgezet in een algemene spaarplicht die ook geldt voor ZZP-ers. In punt 2 wordt daaraan de vrijheid gekoppeld om meer dan het minimum te sparen (maar slechts ten dele fiscaal gefaciliteerd) en zelf te kiezen wanneer het pensioen ingaat. In punt 3 tenslotte wordt de ‘persoonlijke pensioenrekening’ geïntroduceerd, waardoor eindelijk de eigendomsvraag wordt opgelost en de meest ernstige vorm van perverse solidariteit worden uitgebannen.

4, 5 Behoud voordelen collectiviteit, meer schaalvoordelen

Er komen veel, maar minder dan de 400 huidige pensioenfondsen, erkende uitvoerders, die de premies en de rendementen daarvan collectief beleggen. Niet te klein vanwege de schaalvoordelen, maar ook niet te groot omdat daardoor beleggen moeilijker wordt. En wie vindt dat de leiding te hoge salarissen of bonussen ontvangt, kiest een andere erkende uitvoerder. Switchen kan dus, maar niet onbeperkt.

6 Tja is dat nu wel nodig?

Hier wordt de beleggingsstrategie per leeftijdskohort voorgeschreven. Ouderen mogen minder gokken dan jongeren. Weg vrije keuze, weg de (kleine) kans op een hoger pensioen. Als ik vind dat mijn basisbehoeften gedekt zijn en wil meedoen aan de loterij voor veel meer … mag dat niet van de paternalistische politieke jongeren. Keuzevrijheid betekent dat ik mag kiezen voor een riskante beleggingsstrategie. Binnen de grenzen natuurlijk, anders draait de staat (de belastingbetaler) er voor op.

7, 8, 9 Overbodig

Natuurlijk is een duidelijk pensioenoverzicht (7) gewenst en moet daarop worden toegezien, niet toegekeken, door de toezichthouder. Nieuwe pensioenuitvoerders (8) mogen toetreden, met een vergunning die niet lichtvaardig wordt afgegeven. Geen DSB-toestanden a.u.b. en geen beloften die niet waar te maken zijn. En … hoewel we langer leven, halen enkelen toch de eindstreep niet. Dat zorgt voor sterftewinst, die (9) naar de langer levenden gaat –net als nu.

10 Overgangsproblemen goed regelen en ‘invaren’ vermijden

Hier zit de kneep. Nieuwe pensioenen opbouwen volgens dit plan zal geen probleem zijn, maar hoe zit het met de eerder opgebouwde rechten? “Reeds opgebouwde rechten worden niet aangetast.” staat er. Maar wat is niet aangetast? Worden die rechten slapend en delen ze niet mee in de surplus rendementen? Dan vertrekt wie nog werkt (de gepensioneerden moeten wel blijven) en laat een klein pensioenfonds achter, met veel overheadkosten. Daar moet dus nog wel even – en liever langer – over worden nagedacht.

Conclusie

In grote trekken een prima plan, al moet er wel goed worden nagedacht over sommige punten. In een klap worden problemen opgelost waarvoor in het oude stelsel moeizame constructies nodig waren, Niet duidelijk is of alle werkgevers dezelfde premie betalen. In een arbeidsmarkt, die meer flexibel is dan ooit tevoren, is dat wel van belang om concurrentievervalsing tegen te gaan. In het collectieve stelsel was daarom verplichtstelling bij bedrijfstakpensioenfondsen nodig. Hier doet het probleem zich in het geheel niet voor, evenmin als het probleem dat de gelijke opbouwpercentages voor jongeren nadelig zijn.

Joop van Vliet