item webimage 20190124154953 uitholling pensioenstelsel

De feiten rond het Nederlandse pensioenstelsel volgens de Stichting Pensioenbehoud (iets ingekorte versie):
De koopkracht van meer dan 1 miljoen deelnemers in pensioenfondsen is de laatste 10 jaar tussen 10 en 20% verminderd door het uitblijven van indexering of door één of meerdere kortingen. In de laatste decennia zijn er maatregelen getroffen die de hoogte van de pensioenuitkeringen onder druk hebben gezet.

Niettemin hebben de meeste pensioenfondsen, door een verstandig beleggingsbeleid, voldoende in kas om aan de huidige en toekomstige aanspraken te voldoen.

Beste pensioenstelsel ter wereld
Het Nederlandse pensioenstelsel wordt beschouwd als het beste ter wereld (IMF, Mercer 2018). Geen land ter wereld heeft € 1.400 miljard gespaard voor de pensioenen. In veel andere (EU-) landen moeten de pensioenen grotendeels worden betaald door de werkenden (omslagstelsel) of uit een –onzekere- polis.
Achtereenvolgende kabinetten hebben, zeker in de afgelopen decennia, grote aantallen gepensioneerden en toekomstig rechthebbenden op pensioen door allerlei beperkingen ernstig financieel benadeeld, terwijl die beperkingen met het oog op de financiële positie van de fondsen niet noodzakelijk waren. Voornamelijk de overheid zelf heeft daarmee, als werkgever, miljarden aan premies kunnen besparen. Maar ook de werkgevers in het bedrijfsleven.

De volgende maatregelen hebben de collectieve pensioenregelingen geschaad:

  • Het kabinet-Lubbers heeft in de jaren ‘80 fors bezuinigd. Via “uitnamewetten” heeft het kabinet vanaf ’81 tot en met ’88 de pensioenpremie verlaagd van de wettelijk bepaalde 21% naar 8,3 %. Dat koste het ABP (toen nog een Rijksdienst) ca. Hfl 30 miljard.
  • In de meeste uitvoeringsovereenkomsten is de bijstortingsplicht voor werkgevers geschrapt.
  • De overgang van het eindloon- naar het middelloonstelsel heeft forse gevolgen gehad voor de hoogte van het uiteindelijk te bereiken pensioen. Die konden slechts gedeeltelijk worden opgevangen door andere maatregelen (zoals de in veel gevallen plaatsgevonden hebbende verhoging van de pensioenopbouw van 1,75% per dienstjaar naar - in eerste instantie - 2,25%, thans echter 1,875%).
  • De invoering van het zgn. Witteveenkader, waarbij de fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw werd gemaximeerd op €100.000.
  • Het oneigenlijk gebruik van de mogelijkheid om “premiedemping” toe te passen: de werkgevers betalen dan een niet-kostendekkende premie. De overheid, als grote werkgever, heeft hiermee in 2016 € 6 mld. “bespaard”; Dit verklaart mede het begrotingsoverschot van € 8 miljard in 2016; dat is dus voor een belangrijk deel gefinancierd door het ABP. 
  • Eind 2006 is door het parlement het Besluit Financieel Toetsingskader (FTK) aangenomen. Dit Besluit verplicht pensioenfondsen om voor de berekening van hun pensioenverplichtingen gebruik te maken van de risicovrije rentetermijnstructuur (RTS). Dankzij de verplichte toepassing van de risicovrije rekenrente (ca. 1,5%) worden de pensioenverplichtingen te hoog weergegeven, waardoor de dekkingsgraden van de fondsen nauwelijks boven de 100% uitkomen en dus indexaties van pensioenen onmogelijk zijn. 
  • Dit, terwijl het voor inflatie gecorrigeerde nettorendement tussen 2002 en 2017 uit kwam op gemiddeld 5,3% per jaar (OESO 2018). Er is al jaren sprake van forse vermogensstijgingen bij de fondsen; de kassen zijn overvol. Als gevolg van de toegepaste premiedemping heeft bovendien een verschuiving (overdracht) van € 100 mld. plaatsgevonden binnen het pensioenvermogen van OUD naar JONG (Mercer 2017).
  • Het verschil tussen de kostendekkende pensioenpremies en de in rekening gebrachte - gedempte (dus: te lage) - pensioenpremies is in de kassen van de werkgevers achter gebleven. Daarmee vergeleken was de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting een schamele fooi.