Joop van Vliet

In het nieuwsbulletin van De Nederlandsche Bank van 2 augustus wordt gemeld dat in 2012 de meeste pensioenaanspraken niet zijn aangepast aan de inflatie waardoor een verlies aan koopkracht is ontstaan. De pensioenpremies daarentegen stegen van gemiddeld 16,9 procent naar 17,4 procent van het salaris (dus niet van de pensioengrondslag – dat percentage is uiteraard hoger). Dit is een uitkomst van een enquête van DNB onder 25 grote pensioenfondsen.

In 2011 verslechterde de financiële positie van de pensioenfondsen ernstig en daalde de gemiddelde dekkingsgraad van 107 naar 98 procent, waarbij de daling van de ‘lange’ rente door DNB als belangrijkste oorzaak wordt genoemd. Voor veel pensioenfondsen resulteerde dat in een dekkingsgraad beneden de 105 en beneden die grens mag volgens de wet niet worden geïndexeerd en moeten de premies worden verhoogd om de financiële positie te verbeteren.

Het bulletin geeft onderstaande grafiek, waaruit blijkt dat het lang leven-effect (licht-gekleurde kolommen) na 2010 al geen rol meer speelt (er is volledig voor gecorrigeerd) en dat de fluctuaties in de beurskoersen (blauwe kolommen) in 2011 ook nog maar weinig invloed hadden op de dekkingsgraad. Zeer duidelijk echter is de wat na-ijlende invloed van het rente-effect (rode kolommen) op de dekkingsgraad te zien.

DNB constateert verder dat door het niet indexeren de deelnemers in de periode 2007-2012 een forse achterstand hebben opgelopen van ca. 7 procentpunten, al geldt dat niet voor een deel van de ondernemingspensioenfondsen die wel geheel of gedeeltelijk indexeren.

Tot slot geeft DNB de volgende tabel, die door ons iets is aangepast om de verschillen tussen actieve deelnemers en pensioengerechtigden wat duidelijker te presenteren:

Onder ‘Ambitie’ verstaat men in de pensioenwereld de nagestreefde (overeengekomen) compensatie van de looninflatie dan wel prijsinflatie. Om de steeds groeiende achterstand te meten wordt ieder jaar het nieuwe verschil bij het eerder opgelopen verschil opgeteld en weergegeven als cumulatief verschil. Die gecumuleerde verschillen geven de in een periode totaal opgelopen achterstanden. Op basis van deze tabel lijken de gepensioneerden er beter af te komen dan de nog actieve deelnemers, maar dat is slechts schijn. In de eerste plaats is er verschil in de totale ‘Ambitie’ die opgeteld voor actieven 12,5 procent bedraagt en voor gepensioneerden 12,1 procent, alsof ouderen minder last van de inflatie zouden hebben dan werkenden. In de tweede plaats wegen juist voor ouderen de niet-gecompenseerde (en niet in de prijsindexen meetellende) stijgingen van de zorgkosten zwaarder. Ook missen ouderen de compensaties voor zorgkosten die de actieven via hun werkgever ontvangen.

Verder kan in betere tijden de opgelopen achterstand in de pensioenopbouw voor actieve deelnemers worden gecorrigeerd en weer op het oorspronkelijk afgesproken niveau worden gebracht. Maar het belangrijkste is dat veel van de voor 2007 gepensioneerden al eerder (velen al sinds 2000) een indexatieachterstand hebben opgelopen. De cumulatieve achterstand van 6,5 is dus niet alleen vertekend, maar slechts een tipje van de ijsberg. De werkelijke achterstand bedraagt in veel gevallen ruim 20 procent en soms zelfs 25 procent of meer.

Tenslotte doet een correctie in enig jaar weinig aan de eerder misgelopen uitkeringsbedragen. Wie drie jaar achtereen 8 procent minder in handen krijgt dan met indexatie het geval zou zijn geweest, heeft in totaal al bijna 3 maanden pensioenuitkering misgelopen. Er is namelijk een groot verschil tussen na-indexatie en een echte herstel-indexatie waarbij ook eerder opgelopen indexatieachterstanden worden gecompenseerd.