Financiële crisis

Joop van Vliet

Een simpele vraag aan de voorlichter van het CBS (“Hoeveel ingezetenen hadden in 2010 een inkomen uit arbeid van meer dan 100.000 euro”, leverde een verwijzing op naar een tabel, die ik niet eerder op de CBS-site ‘statline’ had kunnen vinden. Deze tabel bevat een schat aan informatie, waaraan ik onder meer de gegevens ontleen, die hieronder zijn gebruikt.
Het CBS is geen saaie cijferfabriek maar een – voor ingewijden in de statistiek althans – schatkamer vol informatie over de Nederlandse samenleving. We realiseren ons vaak onvoldoende hoe belangrijk het werk van het CBS is voor sociologen, economen, politici en journalisten. Dat mag ook wel eens gezegd worden.

In 11 jaar nam het aantal Nederlandse ingezetenen met een persoonlijk inkomen van 100.000 euro of meer fors toe. Niet onlogisch, want alleen al door de gemiddelde inflatie daalde de euro van 2000 (toen als giraal geld) in waarde met 18 procent. Dat betekent dat de 100.000 euro van 2000 nu ongeveer 82.000 zijn. Op basis van die cijfers en 9 procent bevolkingsgroei kunnen we een geschatte groei van het aantal topinkomens verwachten van zo’n 50 procent.

In werkelijkheid waren het echter veel meer en daarvan profiteerden vooral de actieven; de werknemers in loondienst, de ambtenaren en de lagere overheden, de zelfstandigen en de DGA (directeuren/grootaandeelhouders). Opmerkelijk is ook dat het aantal gepensioneerden met meer dan 100.000 euro inkomen relatief sterk toenam.

Rijke werknemers

In de eerste grafiek zien we dat bij de topinkomens vooral het aantal werknemers sterk steeg. In de eerste tabel vinden we (dat het) een stijging (is) met 147.000 (van 70.000 tot 217.000) personen. Bij de overige groepen gaat het om een (in absolute zin) geringe stijging en bij de zelfstandigen zelfs om een vrij forse daling.

Ambtenaren spekkopers

Kijken we echter naar de relatieve groei (de grafiek met de indexcijfers) dan zien we dat de groep (hoogste) ambtenaren het sterkst groeide; die groep werd 6,6 keer zo groot. Direct daarop volgen gepensioneerden met het befaamde ‘Zwitserleven’ gevoel, waardoor gepensioneerden als uitbuiters worden gezien.

Meeste niet-actieven gingen er op achteruit

Het is duidelijk dat de meeste niet-actieven (behalve een klein groepje bevoorrechte gepensioneerden) moesten inleveren en de werkelijk inflatie niet hebben kunnen bijhouden. De twee tabellen tonen de situatie in 2000 vergeleken met ‘nu’ (2010 is het laatste jaar waarover al voldoende belastinggegevens beschikbaar zijn).
In bijgaande tabellen zijn de actieven en inactieven ieder verdeeld in vier groepen met een restgroep.
De afname van de aantallen in de laagste inkomensklassen en de toename van de aantallen in de hoogste inkomensklassen is grotendeels toe te schrijven aan de inflatie. Voor de andere inkomensklassen geldt dat minder. Uit de lagere klasse(n) komt er bij en er verdwijnt naar de hogere klasse(n). Wie een globale tweedeling maakt, ziet bij de actieven een duidelijke verschuiving van laag naar hoog.
Gezien de huidige crisis is de afname van het aantal werknemers en de toename van het aantal zelfstandigen (veel zzp-ers ofwel zelfstandigen zonder personeel) waaronder ook DGA’s normaal. De door alle kabinetten beloofde afname van het aantal ambtenaren blijkt niet te zijn ingelost.

Bij de niet-actieven, vallen onder de groep pensioen ook nog niet 65-plussers. Opmerkelijk is de afname van het aantal niet actieve arbeidsongeschikten – vermoedelijk door verandering van de wettelijke criteria.


Conclusie
De crisis heeft diepe sporen getrokken. Tot nu toe konden de lasten van de Amerikaanse hypotheekcrisis, de wereldwijde financiële crisis en de Eurocrisis nog worden afgewenteld op niet-actieven. De Gini-coëfficiënt, een ongelijkheidsmaat, steeg bijvoorbeeld van 0,24 tot boven de 0,30 (0 = volkomen gelijkheid); de ongelijkheid nam dus toe. Maar die lastenverschuiving helpt na 2010 niet langer. In toenemende mate zullen ook actieven de lasten moeten dragen. Hopelijk houdt men daar (in Nederland èn in Europa) rekening mee