Staatssecretaris De Krom heeft als waarnemer voor minister Kamp nieuwe regels bekend gemaakt waarmee Pensioenfondsen kunnen werken. Zonder in technische details te vervallen kun je zeggen dat daardoor de dekkingsgraad van de pensioenfondsen zal stijgen waardoor de noodzaak van heel grote kortingen op de pensioenen kan vervallen. Toch zullen een aantal grote pensioenfondsen nieuwe kortingen in 2014 moeten aankondigen. Kortingen tot 15% waarvan in een intern stuk van het ABP sprake was, zijn nu gelukkig van de baan. Dergelijke kortingen zouden desastreus zijn geweest voor het inkomen van gepensioneerden. Niettemin is het verstandig om er rekening mee te houden dat de koopkracht van de pensioenen de komende jaren verder zal verslechteren, want niet alleen wordt er in 2013 en 2014 niet geïndexeerd, maar moeten veel gepensioneerden rekening houden met het feit dat hun pensioenen toch in meerdere of mindere mate gekort zullen worden. Het koopkrachtverlies van de pensioenen gedurende de laatste 4 jaar van zo’n 10% zal zeker oplopen tot 15%.

Al jarenlang wordt door velen betoogd dat de gebruikte rekenrente het gevolg is van kunstmatig laag gehouden rentes en ver liggen beneden de rendementen die de pensioenfondsen realiseren, maar dat was aan dovemans oren gericht. Bij minister Donner en later minister Kamp werd weinig beweging waargenomen. Nu kan het ineens wel. Het feit dat de overheid niet alleen wetgever is maar ook werkgever heeft hier kennelijk een rol gespeeld. De overheid wil de salarissen van ambtenaren niet verhogen. De lage dekkingsgraad zou niet alleen tot kortingen leiden maar ook tot verhogen van de premies, waardoor de ambtenaren netto minder zouden overhouden. Bovendien moest diezelfde overheid als werkgever haar deel van de premieverhogingen afdragen. Doordat die premiestijgingen niet doorgaan kunnen alle werkgevers samen een bedrag van 2 miljard besparen.

De NBP gaat de maatregelen bestuderen en zal daar in een later stadium via haar blad Pensioenbelangen en via de website op terugkomen.

Uit de jongste (6 september) rapportage van het CBS

Uit de cijfers van de jongste rapportage van het CBS over de financiële toestand van Nederland hebben wij de volgende tabel samengesteld waarbij met uitzondering van het bruto binnenlands product (bbp) alle bedragen zijn afgerond op 10 miljard euro.
De hypotheekschuld is overigens vrij exact bekend en kan alleen maar veranderen door afsluiting van nieuwe hypotheken (of verhoging van oude) dan wel aflossingen. De woningwaarde daarentegen kan wel veranderen. Die bedroeg in 2005 nog 1.225 miljard euro, steeg tot 1.450 miljard euro in 2008 en was gedaald tot net onder de 1.400 miljard in 2011. Normaliter mag echter niet worden verwacht dat op de termijn van 5 jaar de woningwaarde afneemt tot 80 procent van de huidige waarde, dus met 280 miljard euro.

De buffer van 330 miljoen euro van ons gezamenlijke spaargeld is dus ruim voldoende om een eventuele sterke daling in woningwaarde op te vangen. Verder beschikt Nederland nog over een groot opgebouwd pensioenvermogen van 1.140 miljard euro waarvan ruim 80 procent bij pensioenfondsen en de rest bij pensioenverzekeraars zit.

Al met al is er dus een grote financiële buffer van 2.200 miljard euro of 3,65 keer de waarde van het bruto binnenlands product per jaar.

De conclusie kan alleen maar zijn dat Nederland er macro-economisch zeer goed voorstaat. Bij de totale buffer van 2200 miljard euro stelt het over 2012 verwachte begrotingstekort van 16,4 miljard euro maar weinig voor. Het bedraagt maar ¾ procent van de buffer.

Interessant is ook de vergelijking van onze pensioenreserves met die in Europa over 2010 die in de volgende Eurostattabel staat.

Van de 30 daarin opgenomen Europese landen zijn er 21 die een ‘pensioenbuffer’ van minder dan 50 procent van het bbp hebben. Duitsland, België, Frankrijk, Zweden en Ierland hebben een buffer tussen de 50 en 100 procent. Boven de 100 procent komen Denemarken, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk. Nederland heeft met 180 procent van het bruto binnenlands product de grootste pensioenreserve.

Er is dus weinig echte reden voor pensioenpaniek, al moeten we ons wel zorgen blijven maken.

AMSTERDAM (Dow Jones) Archie van Riemsdijk — De waarde van de koopwoningen in Nederland is tweemaal zo hoog als de totale hypotheekschuld, stelt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) woensdag in een rapport, dat de omvang van de Nederlandse hypotheekschuld relativeert. De totale Nederlandse hypotheekschuld bedroeg eind vorig jaar bijna EUR670 miljard. Dat komt overeen met 111% van het bruto binnenlands product van ons land en is daarmee in verhouding de hoogste hypotheekschuld in de eurozone. Het statistiekbureau bevestigt echter dat hier een twee maal zo hoge woningwaarde tegenover staat, van circa EUR 1,4 biljoen. Bovendien bezitten Nederlandse huishoudens spaargelden, beleggingen en pensioentegoeden die de hypotheekschuld “riant overtreffen”, stelt het CBS.

Spaargeld en beleggingen bedroegen eind 2011 EUR 332 miljard, bijna de helft van de hypotheekschuld. De spaartegoeden stijgen sinds 2008 relatief sneller dan de hypotheekschuld, merkt het CBS op. Een deel daarvan is bovendien al apart gezet voor hypotheekaflossing aan het einde van de looptijd. Zulke aflossingspotjes bestaan in andere eurozonelanden niet, merkt het CBS op. Daarnaast zat er eind 2011 voor EUR1,14 biljoen in de opgespaarde pensioenpotten van Nederlanders, dus bijna twee keer de hypotheekschuld, stelt het CBS. In veel andere landen met lagere hypotheekschuld zijn ook de pensioenreserves veel lager. Dit nuanceert het beeld van de vermogenspositie van Nederlandse huishoudens, stelt het CBS.

Volgens een overzicht van het CBS heeft Nederland in Europa met afstand de hoogste pensioenreserves, op ongeveer 180% van het bbp, gevolgd door Zwitserland en het VK met 150%. Frankrijk, Belgie en Duitsland zitten op circa 65-75% van het bbp, terwijl inwoners van Portugal, Italie, Oostenrijk en Spanje minder dan de helft van het bbp voor hun pensioen hebben gespaard.

Volgens deze bedragen, staat er tegenover onze gezamenlijke hypotheekschuld van 670 miljard euro, niet alleen een overschot aan woningwaarde van 730 miljard maar ook nog eens 330 miljard aan spaargeld en beleggingen en 1.140 miljard aan pensioenvermogen. In totaal dus een buffer van 2.200 miljard euro.

Er gebeurt op dit moment van alles op het gebied van pensioenen. Na de publicatie van het interne stuk van het ABP, dat bij de huidige rekenrente de kans groot is dat in 2014 de pensioenen met meer dan 15% gekort gaan worden, lekten deze week studies van het ministerie van minister Kamp naar buiten, waaruit bleek dat meer dan 12 miljoen gepensioneerden en toekomstige gepensioneerden gekort gaan worden bij gelijkblijvende rekenrente. Een kleine aanpassing van de rekenrente zou dat aantal halveren. In dezelfde week hield werkgeversvoorzitter Wientjes een pleidooi om de pensioenfondsen de hypotheken van de banken te laten overnemen, zodat de banken weer ruimte zouden krijgen om krediet te verlenen aan het bedrijfsleven.

Onze angst is dat Kamp een kleine concessie gaat doen aan de pensioenfondsen, die vervolgens op hun beurt hypotheken moeten overnemen van de Nederlandse Banken. Het feit dat de pensioenfondsbesturen voor de helft bestaan uit vertegenwoordigers van de werkgevers zal daarbij zeker helpen.

Dit moet dus absoluut niet gebeuren. Het beleggingsbeleid van de pensioenfondsen moet onafhankelijk van welke overwegingen ook bepaald worden door het belang van de deelnemers met een verantwoorde mix van rendement en risico. De werkgevers moeten eindelijk eens beseffen, dat de door hen betaalde premies niet van hen zijn, maar uitgesteld loon ten behoeve van de deelnemers en dat met dat geld uitsluitend de belangen van de deelnemers moet worden gediend.

Absurde gevolgen van het systeem van de rekenrente.

In een artikel in de Volkskrant van 22 augustus 2012 wordt gemeld dat de pensioenen van ambtenaren in 2014 met 14,5% worden verlaagd als het systeem van de rekenrente niet wordt gewijzigd. Er wordt geciteerd uit een intern stuk bij het ABP. Daarnaast zouden ook de premies dramatisch moeten stijgen om uit te kunnen komen op de vereiste dekkingsgraad van 105. Maar niet alleen de ambtenaren, alle grote pensioenfondsen hebben te maken met hetzelfde probleem. De koopkracht van de pensioenen is de afgelopen jaren al gemiddeld met 10% gedaald, als deze maatregelen de komende twee jaren doorgaan, dan wordt er weer niet geïndexeerd (koopkrachtverlies 4%) en gekort (koopkrachtverlies 15%). In 6 jaar tijd levert dat een koopkrachtverlies van de pensioenen op van zo’n 30%. Dit hebben zelfs wij in onze ergste horrorscenario’s niet voorzien.

En dat allemaal omdat vastgehouden wordt aan de fictie dat de rekenrente de echte marktrente is terwijl die op ongelofelijke schaal wordt gemanipuleerd door de overheden en de centrale banken. En dat allemaal ondanks het feit dat de werkelijke rendementen van de pensioenfondsen veel hoger liggen dan de rekenrentes. En dat allemaal terwijl de pensioenvermogens de afgelopen 10 jaar ondanks alle crisissen meer dan verdubbeld zijn. En dat allemaal terwijl de pensioenvermogens door de hogere premies en de kortingen op de uitkeringen alleen maar verder zullen stijgen.

Het wordt tijd dat gepensioneerden en toekomstige gepensioneerden eindelijk in opstand komen en hun stem laten horen bij politiek Den Haag, zodat aan deze absurditeit, die ook zeer schadelijk is voor de ontwikkeling van de binnenlandse vraag en dus voor het herstel van onze economie., een einde wordt gemaakt.

Joop van Vliet Joop van Vliet

Het is ondoenlijk voor de redactie van Pensioenbelangen om in de korte tijd tussen het bekend worden van de verkiezingsprogramma’s en het aanleveren van het blad een goed overzicht te verkrijgen van wat de partijen nu precies wilden.
Zelf grotere en kapitaalkrachtiger organisaties zoals die achter de Stemwijzer (Prodemos) of achter Kieskompas (Trouw en de Vrije Universiteit) konden pas enkele dagen geleden hun verkiezingshulp op het net zetten. Er is nog een derde ‘hulp’ Kieswijzer welkepartijpastbijmij.nl, maar die is zo slecht dat ik die alleen aanraad als u toch niet gaat stemmen of uw stem al hebt bepaald en u zich nog eens flink wilt ergeren (of hartelijk lachen).

Politiek landschap

Hoewel Kieskompas www.kieskompas.nl
aan het eind van de rit het beste totaaloverzicht heeft en voortreffelijk op grafische wijze presenteert (zie hiernaast), gaat mijn voorkeur uit naar “De StemWijzer”, www.stemwijzer.nl vooral omdat hij zo gebruiksvriendelijk is, maar ook omdat er een heel redelijk totaalpakket aan stellingen is, die vermoedelijk een groot deel van de bevolking wel zullen aanspreken. Die gebruiksvriendelijkheid uit zich op verschillende manieren. Je kunt gemakkelijk heen en terugbladeren en je krijgt, indien je dat wilt, een commentaar op de stelling van iedere partij die je wilt (van de opgenomen partijen uiteraard). Een klein bezwaar is dat niet alle partijen in eerste instantie worden meegenomen en je nieuwkomers dus apart moet kiezen. Maar partijen in- of uitschakelen is heel eenvoudig, zodat iedereen de partijen waaraan hij een hekel heeft buiten spel kan zetten. In het echt kan dat helaas niet.

Mijn grote bezwaar tegen Kieskompas is dat de 30 stellingen nogal tendentieus zijn geformuleerd en erger nog dat je op iedere vraag een antwoord moet geven (bij de StemWijzer geef je het gewoon aan als je een vraag wilt overslaan). En teruggaan is er ook niet bij. Voor ieder gezinslid moet je dus opnieuw beginnen. Maar zoals gezegd, het visuele eindresultaat is erg mooi en heel duidelijk. Zo is bijvoorbeeld te zien dat de PvdA ietsje van Linksonder naar Rechtsboven is opgeschoven en eventjes op dezelfde plaats heeft gestaan waar de Partij voor de Dieren thans staat.

Ik beperk mij dus verder tot de StemWijzer en de onderwerp keuze. In de tabel hieronder staan in volgorde van belangrijkheid, zoals de invullers die hebben aangegeven, de 30 stellingen. Daarbij heb ik op basis van de toelichtingen van de politieke partijen zelf enigszins de mate van verdeeldheid proberen aan te geven. Als iedereen hetzelfde denkt, zoals bij de (door mij bedachte) stelling: “De kwaliteit van het onderwijs moet minimaal gehandhaafd blijven en liefst verbeterd” waartegen geen enkele partij zal zijn, is dat niet iets waarop je je als partij kunt profileren. Dat wordt dus geen verkiezingsissue”. Mijn indeling is wel enigszins subjectief al heb ik natuurlijk mijn best gedaan om zo neutraal mogelijk te formuleren.

Welke onderwerpen hebben van de gebruikers van de StemWijzer extra gewicht gekregen (in procenten) en hoe verdeeld zijn de partijen daarover:

In bovenstaand lijstje heb ik door een afwijkende tekstkleur en vet lettertype aangegeven welke punten wellicht door ouderen belangrijk of zelfs heel belangrijk worden gevonden. Jammer genoeg staat er geen vraag over het al dan niet indexeren of korten van pensioenen op, maar dat kan ook niet, want de meeste politieke partijen hebben dit heikele onderwerp vermeden op te nemen in hun verkiezingsprogramma’s. Ook andere pensioenkwesties is men uit de weg gegaan. Of men vond ze niet belangrijk of te risicovol. Twee gevestigde en vrij grote partijen die zich nog het meest over pensioenen uitspraken staan aan de uiteinden van het politieke spectrum. Het zijn de PVV en de SP, die het allebei voor de gepensioneerden opnemen. Een gematigder standpunt pro ouderen wordt uitgedragen door 50PLUS.

Als u van mening bent dat kleine partijen nauwelijks invloed kunnen hebben en dus op een grotere partij wilt stemmen, zult u min of meer extreem moeten kiezen. Wie dat niet vindt en betoogt dat ‘one issue-partij’ de Partij voor de Dieren ervoor heeft gezorgd dat dierenrechten nu ook bij andere partijen op de agenda staan, heeft meer keuze, want tussen de vele nieuwkomers zitten er ook die redelijk ‘pro-ouderen’ zijn.

Kortom, of u zich nu wel of niet door zo’n kiezershulpje laat bijstaan, kiezen wordt moeilijker dan ooit tevoren. De uitkomst zal ongetwijfeld iedereen weer verrassen en de formatie zal weer lang gaan duren. Maar stemmen moet u – zonder uw stem wordt het zeker niet beter.

Joop van Vliet
(update 12 augustus 2012 van een eerder artikel in Pensioenbelangen)

Wie wil weten hoe de politiek er op dit moment voorstaat, komt vaak terecht bij peil.nl van Maurice de Hond. Om- en bestreden, vooral door collega’s, die zijn methode en de steekproefselectie afkeuren, maar omgekeerd geldt hetzelfde. Het probleem zit echter minder in de bureaus dan in de ‘zwevende’ kiezers die om de dag (of om het uur) van mening veranderen en pas in het stemhokje tot bezinning komen om zich de andere dag, bij het lezen van de uitslagen voor de kop te slaan. Een tweede probleem zit bij de media die de uitslagen interpreteren en daarbij, meestal niet gehinderd door veel kennis van statistiek, niet beseffen dat een marge van 1 procent in zetels gemeten al snel drie Kamerleden verschil oplevert. Daarbij komt verder nog dat wij een ingewikkeld systeem van restzetels hebben, waardoor vaak pas dagen na de verkiezingen een of twee aspirant-Kamerleden ‘hangen’. De cijfers die u hier ziet zijn van Peil, maar dat komt alleen maar omdat die op het moment van sluiting de jongst beschikbare gegevens waren.

Het lente-akkoord (Kunduzakkoord) = de gelegenheidscombinatie van VVD+CDA+D66+GL+CU

Paars plus = VVD+PvdA+D66+GL

Nieuw Paars = SP+VVD+D66+PvdA

Links = SP+PvdA+GL+D66

Midden = VVD+PvdA+CDA

Rechts = VVD+PVV+CDA (ofwel de oude gedoog-coalitie)

Uit de omschrijvingen blijkt al (Peil vermijdt dat slim) dat de links-rechtsverdeling nog maar weinig voorstelt. wie de verkiezingsprogramma’s leest, merkt bijvoorbeeld dat op veel punten de ‘rechtse’ PVV en de ‘linkse’ SP hetzelfde denken met als grote verschil de opstelling t.o.v. het allochtone deel van de bevolking.(vooral moslims)

Koffiedik kijken – vervolg
We zitten nog een maand voor de verkiezingen. In de week van 5 tot 12 augustus boekte de SP maar liefst 3 virtuele zetels winst, maar ‘links’ ging maar één zeteltje vooruit omdat de PvdA er twee moest inleveren en nu ten opzichte van de verkiezingen in 2010 gehalveerd is. Ook de PVV moest weer een zetel inleveren en lijdt nu een verlies van 7 zetels op de verkiezingsresultaten van 2010. De beide nieuwkomers 50PLUS en De PiratenPartij lijken vrijwel zeker van 1 zetel ieder te zijn en ook de zetelwinst van de Partij voor de Dieren van 2 naar 3 zetels lijkt bijna binnen. Bij Groen Links lijkt de stekker er nu wel definitief uitgetrokken te zijn, van de 10 zetels in de huidige Tweede Kamer blijven er nog maar 4 over. Links is ongeveer gelijk gebleven maar het zwaartepunt is wel verder naar links verschoven. Opmerkelijk is de opkomst van de kleine christelijke partijen, waarbij de relatief forse groei van de ChristenUnie niet ten koste van de strenge SGP ging, want die maakt ook nog 1 zetel winst en heeft blijkbaar nauwelijks last van haar ‘antifeministische’ en volgens sommigen zelfs ‘vrouwonvriendelijke’ opstelling.

Mijn een maand eerder geuite veronderstelling dat het regeren de VVD drie tot zes zetels zou gaan kosten, zal vermoedelijk niet uitkomen. En het liberale front is zelfs versterkt door de winst van D66. Steeds duidelijker wordt dat de hardste klappen vallen bij het min of meer seculaire midden, waartoe ik ook het CDA reken. In hoeverre de schandalen in de RK-kerk op de teruggang van het CDA mede van invloed waren, is niet te bepalen maar deze hebben zeker meegespeeld. De teruggang van de PVV is ook goed verklaarbaar. enerzijds is er concurrentie van de SP, maar die is er tot nu toe goed in geslaagd om ernstige fouten te vermijden en blijft overkomen als een hechte partij met weinig interne conflicten. Dat is de PVV niet gelukt. Er is intern nogal het nodige gebeurd en vooral ook naar buiten gebracht, terwijl PVV-leider Wilders wordt afgerekend op de te provocerende uitspraken, die hij graag doet maar steeds minder worden gewaardeerd door potentiële stemmers.

De Hond versus IPSOS

Tot dusver heb ik mij beperkt tot de ‘prognoses’ van Maurice de Hond, maar vergelijking met de op sommige plaatsen toch wel afwijkende resultaten van Ipsos is interessant genoeg om te doen.

Over het algemeen zijn de verschillen bescheiden behalve voor de twee linkse partijen die, hoewel gelijke idealen predikend, verschillen in mening hoe die doelen moeten worden nagestreefd. Bij Peil wint de activistische SP veel meer dan bij IPSOS en gaat dat vooral ten koste van de gezapiger PvdA, die bij Peil 50 procent van haar 2010 zetels kwijt raakt en bij IPSOS maar 25%
De vraag is natuurlijk of die ‘gezapigheid’ van de PvdA straks wel of niet doorklinkt in de uiteindelijke verkiezingsuitslag.

Belangrijker dan de verschillen zijn echter de overeenkomsten. Vooral de ex-regeringspartijen en gedoogpartijen lijden verlies. Het jeugdige imago van Mark Rutte blijkt meer dan voldoende om de afstraffing te ontlopen die coalitiegenoten wél kregen.

In hoeverre beide onderzoekinstelling er in slagen de nieuwe lichting stemgerechtigden te bereiken is ook nog een vraag van betekenis. Met andere woorden, wordt de mening van die jongeren wel naar behoren gepeild?

Keuzeprobleem voor jongeren

Teleurgestelde ouderen die wat anders willen kunnen nog uitwijken naar bijvoorbeeld 50PLUS dat echter al minstens één prominent zag verdwijnen. Maar wat moeten die nieuwe jongeren? Via G500 kom je via een omweg toch bij de gevestigde orde terecht. En PiratenPartij riekt wel erg naar de brugklas en Johnny Depp.

Uit gesprekken met – maar vooral ook uit reacties in de media van – jongeren kreeg ik de indruk dat vooral de nieuwe lichting stemmers actie wil. Ze zijn bezorgd over hun toekomst. Ze willen meer aandacht voor en vooral ook beter onderwijs en sommigen maken zich nu al druk over het pensioen dat ze over 50 jaar of zo hopen te krijgen.
Ze zijn niet uitgekeken op de gevestigde partijen maar ze hebben er geen eens oog voor. Nieuwe partijen en daartoe rekenen ze niet alleen De PiratenPartij of de SP, maar ook de ChristenUnie, zijn nog niet besmet en men verwacht er iets van. D66 heeft dat jeugdige imago nog een klein beetje maar is het wel rap aan het verliezen en vooral Alexander Pechtold heeft hen ook teleurgesteld als debater.

Conclusie

Zoals gesteld zal de echte uitslag ons vrijwel zeker weer sterk verrassen. Ik denk dat de SP nipt zal zegevieren over de VVD. Aan de versnippering komt geen einde en er komen zeker 11 en misschien wel 12 partijen in de kamer. De PvdA wordt de grootste verliezer, maar PVV, Groen Links en het CDA krijgen ook flinke klappen te verwerken. SP en D66 winnen zeker. Van kleine of nieuwe partijen valt – althans niet met enige zekerheid – weinig anders te vertellen dat onvrede met het establishment meestal tot versplintering leidt en dus winst voor kleine partijen kan betekenen.
Zoals het zich laat aanzien is er straks zowel een drie- als een vierpartijen Paars kabinet mogelijk. Als het paars wordt lijkt een driepartijenkabinet echter weinig haalbaar, want de VVD zal een ‘linkse’ meerderheid van SP en PvdA niet echt willen (als de SP dat al wil) . Maar de SP ziet natuurlijk ook weinig in een gezamenlijk liberaal blok van VVD en D66, al zal D66 wat minder moeite hebben met het spelen van de derde viool dan de PvdA.
Niets is dus zeker behalve dat het weer een lange formatie wordt en dat ouderen via dalende pensioenen en stijgende zorgkosten het nog moeilijker gaan krijgen dan ze het nu al hebben.

Gaat u, ondanks alle somberheid, toch maar stemmen. Anders wordt het er voor ons ouderen nog slechter op.

Joop van Vliet

In het nieuwsbulletin van De Nederlandsche Bank van 2 augustus wordt gemeld dat in 2012 de meeste pensioenaanspraken niet zijn aangepast aan de inflatie waardoor een verlies aan koopkracht is ontstaan. De pensioenpremies daarentegen stegen van gemiddeld 16,9 procent naar 17,4 procent van het salaris (dus niet van de pensioengrondslag – dat percentage is uiteraard hoger). Dit is een uitkomst van een enquête van DNB onder 25 grote pensioenfondsen.

In 2011 verslechterde de financiële positie van de pensioenfondsen ernstig en daalde de gemiddelde dekkingsgraad van 107 naar 98 procent, waarbij de daling van de ‘lange’ rente door DNB als belangrijkste oorzaak wordt genoemd. Voor veel pensioenfondsen resulteerde dat in een dekkingsgraad beneden de 105 en beneden die grens mag volgens de wet niet worden geïndexeerd en moeten de premies worden verhoogd om de financiële positie te verbeteren.

Het bulletin geeft onderstaande grafiek, waaruit blijkt dat het lang leven-effect (licht-gekleurde kolommen) na 2010 al geen rol meer speelt (er is volledig voor gecorrigeerd) en dat de fluctuaties in de beurskoersen (blauwe kolommen) in 2011 ook nog maar weinig invloed hadden op de dekkingsgraad. Zeer duidelijk echter is de wat na-ijlende invloed van het rente-effect (rode kolommen) op de dekkingsgraad te zien.

DNB constateert verder dat door het niet indexeren de deelnemers in de periode 2007-2012 een forse achterstand hebben opgelopen van ca. 7 procentpunten, al geldt dat niet voor een deel van de ondernemingspensioenfondsen die wel geheel of gedeeltelijk indexeren.

Tot slot geeft DNB de volgende tabel, die door ons iets is aangepast om de verschillen tussen actieve deelnemers en pensioengerechtigden wat duidelijker te presenteren:

Onder ‘Ambitie’ verstaat men in de pensioenwereld de nagestreefde (overeengekomen) compensatie van de looninflatie dan wel prijsinflatie. Om de steeds groeiende achterstand te meten wordt ieder jaar het nieuwe verschil bij het eerder opgelopen verschil opgeteld en weergegeven als cumulatief verschil. Die gecumuleerde verschillen geven de in een periode totaal opgelopen achterstanden. Op basis van deze tabel lijken de gepensioneerden er beter af te komen dan de nog actieve deelnemers, maar dat is slechts schijn. In de eerste plaats is er verschil in de totale ‘Ambitie’ die opgeteld voor actieven 12,5 procent bedraagt en voor gepensioneerden 12,1 procent, alsof ouderen minder last van de inflatie zouden hebben dan werkenden. In de tweede plaats wegen juist voor ouderen de niet-gecompenseerde (en niet in de prijsindexen meetellende) stijgingen van de zorgkosten zwaarder. Ook missen ouderen de compensaties voor zorgkosten die de actieven via hun werkgever ontvangen.

Verder kan in betere tijden de opgelopen achterstand in de pensioenopbouw voor actieve deelnemers worden gecorrigeerd en weer op het oorspronkelijk afgesproken niveau worden gebracht. Maar het belangrijkste is dat veel van de voor 2007 gepensioneerden al eerder (velen al sinds 2000) een indexatieachterstand hebben opgelopen. De cumulatieve achterstand van 6,5 is dus niet alleen vertekend, maar slechts een tipje van de ijsberg. De werkelijke achterstand bedraagt in veel gevallen ruim 20 procent en soms zelfs 25 procent of meer.

Tenslotte doet een correctie in enig jaar weinig aan de eerder misgelopen uitkeringsbedragen. Wie drie jaar achtereen 8 procent minder in handen krijgt dan met indexatie het geval zou zijn geweest, heeft in totaal al bijna 3 maanden pensioenuitkering misgelopen. Er is namelijk een groot verschil tussen na-indexatie en een echte herstel-indexatie waarbij ook eerder opgelopen indexatieachterstanden worden gecompenseerd.

Joop van Vliet

(Update per 29-7-2012 van een artikel in het juli/augustusnummer van Pensioenbelangen)
In Nederland zijn meer bureaus die peilen hoe het er politiek voorstaat op dit moment. Heel bekend is peil.nl van Maurice de Hond. Om- en bestreden, vooral door collega’s, die het niet eens zijn met de methode en de steekproefselectie. Omgekeerd geldt hetzelfde. Het probleem zit echter minder in de bureaus dan in de ‘zwevende’ kiezers die om de dag (of om het uur) van mening veranderen en pas in het stemhokje tot bezinning komen om zich de andere dag, bij het lezen van de uitslagen voor de kop te slaan.
Een tweede probleem zit bij de media die de uitslagen interpreteren en daarbij, meestal niet gehinderd door veel kennis van statistiek, niet beseffen dat een marge van 1 procent in zetels gemeten al snel drie Kamerleden verschil oplevert. Daarbij komt verder nog dat wij een ingewikkeld systeem van restzetels hebben, waardoor vaak pas dagen na de verkiezingen een of twee aspirant-Kamerleden ‘hangen’.
De cijfers die u hier ziet zijn van Peil, maar dat komt alleen maar omdat die op het moment van sluiting de jongst beschikbare gegevens waren. (NB voor de actualisering is uiteraard dezelfde peiling genomen).

Kamerzetels per 29-7-2012 voorspeld door Peil.nl

Het lente-akkoord (Kunduzakkoord) = de gelegenheidscombinatie van VVD+CDA+D66+GL+CU

Paars plus = VVD+PvdA+D66+GL

Links = SP+PvdA+GL+D66

Midden = VVD+PvdA+CDA

Rechts = VVD+PVV+CDA (ofwel de oude gedoog-coalitie)

Uit de omschrijvingen blijkt al (Peil vermijdt dat slim) dat de links-rechtsverdeling nog maar weinig voorstelt. wie de verkiezingsprogramma’s leest, merkt bijvoorbeeld dat op veel punten de ‘rechtse’ PVV en de ‘linkse’ SP hetzelfde denken met als grote verschil de opstelling t.o.v. het allochtone deel van de bevolking.(vooral moslims)

Hier volgt het beloofde koffiedik kijken

We zitten nog zes weken voor de verkiezingen . Er staan inmiddels al twee nieuwe partijen op de lijst, die vermoedelijk een of meer zetels gaan verwerven. De peiling van 5-8 van peil.nl zal vrijwel zeker iets anders zijn. En tot vlak voor 12 september verandert er nog veel meer. Vrijwel zeker zal de echte uitslag ons weer sterk verrassen. Vermoedelijk zult u constateren dat het regeren de VVD één tot drie zetels heeft gekost, maar het CDA meer verloren heeft. Een licht herstel voor de PvdA is mogelijk maar niet waarschijnlijk. SP en D66 winnen zeker. Van kleine of nieuwe partijen (SGP, PvdD, 50PLUS en Piratenpartij) valt helaas niets anders te zeggen, dan dat hun uiteindelijke zetelaantal onzeker is. – u moet tandenknarsend afwachten.

Uit de cijfers van de verschillende combinaties blijkt gelukkig een minder grillig beeld, al zullen velen het verontrustend vinden dat alles wat niet al te lang geleden regeerde, min of meer zwaar verlies lijdt. De Kunduz-partijen leveren nu al vijfzetels in, maar dat worden er meer denk ik. Vorige keer voorspelde Peil.nl (en ik) er nog 8 maar dat is door het herstel van de VVD tot 5 gereduceerd. Het is alleen de vraag wie daarvan het minste last zal krijgen.
Opmerkelijk is vooral dat het politieke ‘midden’ dat in 2010 nog 82 zetels wist te verwerven inmiddels nog maar 62 zetels heeft (in de peiling althans). De verdediging van Europa en de Euro door VVD, CDA en PvdA kost niet alleen geld, maar ook stemmen en straks dus zetels.
Gaat u, ondanks alle somberheid, toch maar stemmen. Anders wordt het er voor ons ouderen nog slechter op.

Peter Langenberg

Op 14 juni 2012 overleed Peter totaal onverwacht op 82-jarige leeftijd. Op zijn rouwkaart staat een tekst die uitstekend de man typeert, die wij helaas moeten missen:

“Met een hart van goud stond hij nog vol in een voor hem, sociaal en politiek betrokken leven”.

Een hart van goud. Dat blijkt niet alleen uit talrijke onderscheidingen maar ook uit de grote genegenheid waarmee hij over zijn overleden vrouw sprak. En de betrokkenheid over het wel en wee van zijn vele vrienden en kennissen.

Peter was wars van eigen eer.

Zijn sociale zienswijze betrof een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel, een antenne voor maatschappelijk onrecht en afkeer van een overheid als deze zich onbetrouwbaar toonde. Eerlijk duurt het langst, was zijn parool en dus moet eerlijkheid veel langer duren.

Politiek was Peter intens meelevend.

Hij voelde zich gekwetst door gedraai, halve waarheden, egoïstisch gedrag, a-sociale tendenzen en gluiperig taalgebruik zoals het invaren van oude recht bij het zogenaamd Pensioen akkoord.

Peter Langenberg, een man van het wij-gevoel

Simon van der Schoot
voorzitter Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen

Financiële crisis

Joop van Vliet

Een simpele vraag aan de voorlichter van het CBS (“Hoeveel ingezetenen hadden in 2010 een inkomen uit arbeid van meer dan 100.000 euro”, leverde een verwijzing op naar een tabel, die ik niet eerder op de CBS-site ‘statline’ had kunnen vinden. Deze tabel bevat een schat aan informatie, waaraan ik onder meer de gegevens ontleen, die hieronder zijn gebruikt.
Het CBS is geen saaie cijferfabriek maar een – voor ingewijden in de statistiek althans – schatkamer vol informatie over de Nederlandse samenleving. We realiseren ons vaak onvoldoende hoe belangrijk het werk van het CBS is voor sociologen, economen, politici en journalisten. Dat mag ook wel eens gezegd worden.

In 11 jaar nam het aantal Nederlandse ingezetenen met een persoonlijk inkomen van 100.000 euro of meer fors toe. Niet onlogisch, want alleen al door de gemiddelde inflatie daalde de euro van 2000 (toen als giraal geld) in waarde met 18 procent. Dat betekent dat de 100.000 euro van 2000 nu ongeveer 82.000 zijn. Op basis van die cijfers en 9 procent bevolkingsgroei kunnen we een geschatte groei van het aantal topinkomens verwachten van zo’n 50 procent.

In werkelijkheid waren het echter veel meer en daarvan profiteerden vooral de actieven; de werknemers in loondienst, de ambtenaren en de lagere overheden, de zelfstandigen en de DGA (directeuren/grootaandeelhouders). Opmerkelijk is ook dat het aantal gepensioneerden met meer dan 100.000 euro inkomen relatief sterk toenam.

Rijke werknemers

In de eerste grafiek zien we dat bij de topinkomens vooral het aantal werknemers sterk steeg. In de eerste tabel vinden we (dat het) een stijging (is) met 147.000 (van 70.000 tot 217.000) personen. Bij de overige groepen gaat het om een (in absolute zin) geringe stijging en bij de zelfstandigen zelfs om een vrij forse daling.

Ambtenaren spekkopers

Kijken we echter naar de relatieve groei (de grafiek met de indexcijfers) dan zien we dat de groep (hoogste) ambtenaren het sterkst groeide; die groep werd 6,6 keer zo groot. Direct daarop volgen gepensioneerden met het befaamde ‘Zwitserleven’ gevoel, waardoor gepensioneerden als uitbuiters worden gezien.

Meeste niet-actieven gingen er op achteruit

Het is duidelijk dat de meeste niet-actieven (behalve een klein groepje bevoorrechte gepensioneerden) moesten inleveren en de werkelijk inflatie niet hebben kunnen bijhouden. De twee tabellen tonen de situatie in 2000 vergeleken met ‘nu’ (2010 is het laatste jaar waarover al voldoende belastinggegevens beschikbaar zijn).
In bijgaande tabellen zijn de actieven en inactieven ieder verdeeld in vier groepen met een restgroep.
De afname van de aantallen in de laagste inkomensklassen en de toename van de aantallen in de hoogste inkomensklassen is grotendeels toe te schrijven aan de inflatie. Voor de andere inkomensklassen geldt dat minder. Uit de lagere klasse(n) komt er bij en er verdwijnt naar de hogere klasse(n). Wie een globale tweedeling maakt, ziet bij de actieven een duidelijke verschuiving van laag naar hoog.
Gezien de huidige crisis is de afname van het aantal werknemers en de toename van het aantal zelfstandigen (veel zzp-ers ofwel zelfstandigen zonder personeel) waaronder ook DGA’s normaal. De door alle kabinetten beloofde afname van het aantal ambtenaren blijkt niet te zijn ingelost.

Bij de niet-actieven, vallen onder de groep pensioen ook nog niet 65-plussers. Opmerkelijk is de afname van het aantal niet actieve arbeidsongeschikten – vermoedelijk door verandering van de wettelijke criteria.


Conclusie
De crisis heeft diepe sporen getrokken. Tot nu toe konden de lasten van de Amerikaanse hypotheekcrisis, de wereldwijde financiële crisis en de Eurocrisis nog worden afgewenteld op niet-actieven. De Gini-coëfficiënt, een ongelijkheidsmaat, steeg bijvoorbeeld van 0,24 tot boven de 0,30 (0 = volkomen gelijkheid); de ongelijkheid nam dus toe. Maar die lastenverschuiving helpt na 2010 niet langer. In toenemende mate zullen ook actieven de lasten moeten dragen. Hopelijk houdt men daar (in Nederland èn in Europa) rekening mee