Peter Langenberg

Op 14 juni 2012 overleed Peter totaal onverwacht op 82-jarige leeftijd. Op zijn rouwkaart staat een tekst die uitstekend de man typeert, die wij helaas moeten missen:

“Met een hart van goud stond hij nog vol in een voor hem, sociaal en politiek betrokken leven”.

Een hart van goud. Dat blijkt niet alleen uit talrijke onderscheidingen maar ook uit de grote genegenheid waarmee hij over zijn overleden vrouw sprak. En de betrokkenheid over het wel en wee van zijn vele vrienden en kennissen.

Peter was wars van eigen eer.

Zijn sociale zienswijze betrof een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel, een antenne voor maatschappelijk onrecht en afkeer van een overheid als deze zich onbetrouwbaar toonde. Eerlijk duurt het langst, was zijn parool en dus moet eerlijkheid veel langer duren.

Politiek was Peter intens meelevend.

Hij voelde zich gekwetst door gedraai, halve waarheden, egoïstisch gedrag, a-sociale tendenzen en gluiperig taalgebruik zoals het invaren van oude recht bij het zogenaamd Pensioen akkoord.

Peter Langenberg, een man van het wij-gevoel

Simon van der Schoot
voorzitter Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen

Financiële crisis

Joop van Vliet

Een simpele vraag aan de voorlichter van het CBS (“Hoeveel ingezetenen hadden in 2010 een inkomen uit arbeid van meer dan 100.000 euro”, leverde een verwijzing op naar een tabel, die ik niet eerder op de CBS-site ‘statline’ had kunnen vinden. Deze tabel bevat een schat aan informatie, waaraan ik onder meer de gegevens ontleen, die hieronder zijn gebruikt.
Het CBS is geen saaie cijferfabriek maar een – voor ingewijden in de statistiek althans – schatkamer vol informatie over de Nederlandse samenleving. We realiseren ons vaak onvoldoende hoe belangrijk het werk van het CBS is voor sociologen, economen, politici en journalisten. Dat mag ook wel eens gezegd worden.

In 11 jaar nam het aantal Nederlandse ingezetenen met een persoonlijk inkomen van 100.000 euro of meer fors toe. Niet onlogisch, want alleen al door de gemiddelde inflatie daalde de euro van 2000 (toen als giraal geld) in waarde met 18 procent. Dat betekent dat de 100.000 euro van 2000 nu ongeveer 82.000 zijn. Op basis van die cijfers en 9 procent bevolkingsgroei kunnen we een geschatte groei van het aantal topinkomens verwachten van zo’n 50 procent.

In werkelijkheid waren het echter veel meer en daarvan profiteerden vooral de actieven; de werknemers in loondienst, de ambtenaren en de lagere overheden, de zelfstandigen en de DGA (directeuren/grootaandeelhouders). Opmerkelijk is ook dat het aantal gepensioneerden met meer dan 100.000 euro inkomen relatief sterk toenam.

Rijke werknemers

In de eerste grafiek zien we dat bij de topinkomens vooral het aantal werknemers sterk steeg. In de eerste tabel vinden we (dat het) een stijging (is) met 147.000 (van 70.000 tot 217.000) personen. Bij de overige groepen gaat het om een (in absolute zin) geringe stijging en bij de zelfstandigen zelfs om een vrij forse daling.

Ambtenaren spekkopers

Kijken we echter naar de relatieve groei (de grafiek met de indexcijfers) dan zien we dat de groep (hoogste) ambtenaren het sterkst groeide; die groep werd 6,6 keer zo groot. Direct daarop volgen gepensioneerden met het befaamde ‘Zwitserleven’ gevoel, waardoor gepensioneerden als uitbuiters worden gezien.

Meeste niet-actieven gingen er op achteruit

Het is duidelijk dat de meeste niet-actieven (behalve een klein groepje bevoorrechte gepensioneerden) moesten inleveren en de werkelijk inflatie niet hebben kunnen bijhouden. De twee tabellen tonen de situatie in 2000 vergeleken met ‘nu’ (2010 is het laatste jaar waarover al voldoende belastinggegevens beschikbaar zijn).
In bijgaande tabellen zijn de actieven en inactieven ieder verdeeld in vier groepen met een restgroep.
De afname van de aantallen in de laagste inkomensklassen en de toename van de aantallen in de hoogste inkomensklassen is grotendeels toe te schrijven aan de inflatie. Voor de andere inkomensklassen geldt dat minder. Uit de lagere klasse(n) komt er bij en er verdwijnt naar de hogere klasse(n). Wie een globale tweedeling maakt, ziet bij de actieven een duidelijke verschuiving van laag naar hoog.
Gezien de huidige crisis is de afname van het aantal werknemers en de toename van het aantal zelfstandigen (veel zzp-ers ofwel zelfstandigen zonder personeel) waaronder ook DGA’s normaal. De door alle kabinetten beloofde afname van het aantal ambtenaren blijkt niet te zijn ingelost.

Bij de niet-actieven, vallen onder de groep pensioen ook nog niet 65-plussers. Opmerkelijk is de afname van het aantal niet actieve arbeidsongeschikten – vermoedelijk door verandering van de wettelijke criteria.


Conclusie
De crisis heeft diepe sporen getrokken. Tot nu toe konden de lasten van de Amerikaanse hypotheekcrisis, de wereldwijde financiële crisis en de Eurocrisis nog worden afgewenteld op niet-actieven. De Gini-coëfficiënt, een ongelijkheidsmaat, steeg bijvoorbeeld van 0,24 tot boven de 0,30 (0 = volkomen gelijkheid); de ongelijkheid nam dus toe. Maar die lastenverschuiving helpt na 2010 niet langer. In toenemende mate zullen ook actieven de lasten moeten dragen. Hopelijk houdt men daar (in Nederland èn in Europa) rekening mee

Ad van der Linden

Op 25 mei 2012 overleed op 83-jarige leeftijd in zijn slaap een zeer gewaardeerd lid van onze afdeling Zuid-Holland. Jarenlang was hij bestuurslid. Eerst als voorzitter van de afdeling Dordrecht/Gorinchem, daarna als voorzitter van het district Zuid-Holland Zuid, van de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen. Nog later werd hij penningmeester voor de regio Zuid-Holland, totdat hij wegens zijn leeftijd en gezondheid zijn bestuursfunctie moest neerleggen.

Ad was al geruime tijd ziek en opgenomen in een verzorgingshuis. Via Peter Langenberg bleven wij op de hoogte van zijn reilen en zeilen en lieten wij hem weten dat onze afdeling hem niet was vergeten.

Wij zijn ervan overtuigd dat de leden van de afdeling Zuid Holland zich Ad van der Linden zullen blijven herinneren als een rustige, beschaafde bestuurder.

Wij zullen hem niet snel vergeten.
Daarvoor is hij te lang in ons midden geweest.

Peter Langenberg
voormalig voorzitter van de ledenraad NBP

Jo Bruins-Sas
secretaris van de regio Zuid-Holland

In memoriam

Op 7 mei 2012 ging een van onze actiefste en meest gewaardeerde leden en jarenlang voorzitter van de regio Utrecht van ons heen.
Zijn geest was helder, maar zijn lichaam liet hem in de steek.

Wim Kwekkeboom

is 83 jaar geworden.

Wij wensen zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen veel sterkte toe.

Ook wij zullen hem missen.

Pieter de Wind
voorzitter Regio Utrecht Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen

Simon van der Schoot
voorzitter Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen

Het akkoord tussen een deel van de oppositie en de regeringscoalitie dat gisteren tot stand kwam, heeft in hoofdlijnen het volgende opgeleverd (groen is tamelijk gunstig; rood is minder gewenst; zwart is voorlopig geen oordeel):

  • AOW-leeftijd gaat beginnende 2013 met 1 maand per jaar omhoog;
  • De geplande permanente verlaging van de overdrachtsbelasting tot 2 procent wordt gehandhaafd;
  • De hypotheekrente aftrek wordt beperkt;
  • Hoge Btw-tarief gaat van 19 naar 21 procent;
  • Reiskostenforfait wordt verlaagd (vervalt in veel gevallen);
  • Lonen collectieve sector (zorg uitgezonderd) op nullijn; uitkeringen worden gespaard;
  • Loonbelasting (IB) gaat omlaag;
  • Belastingschijven worden eenmalig niet geïndexeerd;
  • Verhoging accijns alcohol, tabak en frisdrank;
  • Eigen risico in de zorg wordt verhoogd; hogere zorgtoeslag voor lagere inkomens;
  • Eerste halfjaar WW-uitkering voor rekening werkgever;
  • Bezuiniging op zorgkosten van 1 miljard, nader te bepalen;
  • Bezuinigingen op persoonsgebonden budget gaat niet door;
  • Bezuinigen op passend onderwijs gaat niet door;
  • Geen verdere bezuiniging op ontwikkelingssamenwerking (blijft 0,7 procent van bbp);
  • Verhoging griffierechten gaat niet door;
  • Bouw wordt met 200 miljoen gestimuleerd;

Vergeleken met de eerdere versie moet dit worden gezien als een verbetering, maar het CPB moet nog narekenen of met dit pakket de norm van een begrotingstekort van maximaal 3 procent wordt gehaald.

Het gehele pakket is dus evenwichtiger, maar de bezuinigingen overheersen en de stimulerende maatregelen zijn nog steeds te mager. De door Brussel opgelegde norm vertraagt het herstel van de economie.

Joop van Vliet

Je hoeft geen PVV-aanhanger te zijn om kritisch te zijn over het nu gesneuvelde ‘Catshuisakkoord’. Te veel van de ‘bezuinigingen’ zijn incidenteel en dus eenmalig. Wie echter de 3 procent-limiet voor het begrotingstekort serieus neemt, zal een meer structurele oplossing moeten vinden. Daarbij zal men toch moeten streven naar oplossingen waarbij de lasten niet onevenredig zwaar drukken op bevolkingsgroepen, die toch al moeite hebben het hoofd boven water te houden. Verder moet rekening worden gehouden met de voor 2013 geplande afstempeling van de pensioenrechten. Die kortingen zullen – tenzij er een wonder gebeurt – niet kunnen worden verhinderd.

Volgens de tabel worden vooral de lagere inkomens in 2013 ‘gepakt’. De werkende éénverdiener met minder dan 1¾ keer het wettelijk minimumloon (wml), levert 2¾ procent meer in dan iemand die 3½ of meer keren het wml. Op lagere uitkeringen wordt 2 procent meer ingeleverd dan op de hogere uitkeringen. Gepensioneerden leveren allemaal zo’n 3¾ procent in, maar die hebben toch al veel minder inkomen. Bedenkelijk dat juist de minima procentueel het meest inleveren, want gemiddeld levert Nederland ‘slechts’ 2½ procent in.

Goede maatregelen
De vraag of de voorgestelde maatregelen wel het beoogde effect hebben, laten ik even voor wat ze is. Eerst maar de goede kanten van het akkoord:

  1. Permanent verlagen van de overdrachtsbelasting
    Kosten 1,2 miljard per jaar; volledige gecompenseerd door afschaffing van de reiskostenvergoeding. Het afschaffen van de vergoeding voor leaseauto’s zou op den duur 225 miljoen opleveren. Zinnig is ook invoering van een hypotheekaflossing op basis van annuïteiten binnen 35 jaar. Structureel moet dat ruim 3,8 miljard opleveren (na 35 jaar dus). Ingrijpen op de woningmarkt is nodig, maar levert pas in 2015 echt een redelijke bijdrage op (van 75 miljoen in 2013 tot 225 miljoen in 2025). Niet in het akkoord staat een maatregel die ‘rijken raakt en starters spaart’ door de hypotheekrenteaftrek niet via de belastingschijven te laten verlopen, maar daarvoor vast 42 procent te kiezen;
  2. Verlaging van de taakstelling passend onderwijs
    Dat kost geld maar wordt gecompenseerd door het schrappen van de gratis schoolboeken. Wie in het onderwijs zit of heeft gezeten, weet hoe boeken worden behandeld – vooral als ze gratis zijn;
  3. Afschaffen van de rode diesel
    Schadelijk voor de landbouw? Helpt wel een bron van fraude uit de wereld;
  4. Versobering van het gevangeniswezen
    Wat mij betreft tot aan het peil van de ouderenzorg in verpleeg- en verzorgingshuizen;
  5. Verhoging tabaksaccijns
  6. Greep uit het infrafonds
    Gezien het recente treinongeluk en de noodzaak tot invoering van een beter beveiligingssysteem, lijkt dat op dit moment minder goed te verdedigen, maar betere planning en meer efficiëntie kan geld besparen;
  7. Korten op ontwikkelingshulp
    Dat lijkt bij velen een populaire maatregel te zijn, maar is gezien de internationale verplichtingen moeilijk door te voeren. Overigens heeft SER-lid Louise Fresco ernstige bedenkingen ten aanzien van de doelmatigheid van ontwikkelingshulp. De honorering bij sommige van die ‘clubjes’ is, zeker gezien de doelstelling, dubieus hoog.

Twijfelachtige maatregelen
Twijfelachtig en vaak ‘te laat en te weinig’ zijn maatregelen als het bezuinigen op de publieke omroep, het korten op de departementen of het gemeente en provinciefonds. De verdubbeling van de bankbelasting lijkt aantrekkelijk, maar zal uiteindelijk wel weer worden gedragen door burgers en kleine ondernemers – in het afwentelen van lasten blijken zelfs zwakke banken sterk te zijn.
De ingrepen in de lonen, leveren volgens het Catshuis forse bedragen op. Helaas treffen ze vooral de onderkant van de maatschappij, zoals ook al uit de tabel bleek. Een gerichte aanpak van de hogere inkomens ontbreekt, behalve de beperking van de fiscale aftrekmogelijkheden voor echt hoge pensioenen.

Slechte maatregelen
Ronduit slecht vind ik de volgende maatregelen:

  1. AOW-leeftijd naar 66 jaar in 2015
    Dat levert minder op dan het werknemers mogelijk te maken na het 50e levensjaar een baan te vinden. Het schrappen van de doorwerkbonus op zichzelf is slecht, tenzij het vrijkomende bedrag wordt gebruikt om werkgevers te stimuleren meer ouderen in dienst te nemen en te houden;
  2. De medicijnbijdrage van 9 euro (per recept)
    Die treft chronisch zieken en ouderen en draagt bij tot verspilling. De hoeveelheid medicijnen per recept neemt toe en dus worden er meer vernietigd als het gebruik stopt wegens bijwerkingen of het overlijden van de patiënt;
  3. Verhoging van de zorgnorm AWBZ
    Als de zorgnorm van 60 naar 90 minuten per dag gaat, wordt de taak van de mantelzorger verzwaard. Verwacht mag worden dat daardoor veel van de oudere mantelzorgers, door overbelasting, ook zorgbehoevend worden. Het is twijfelachtig of er uiteindelijk wel 600 miljoen euro bezuinigd wordt;
  4. Verhoging van het lage Btw-tarief
    Het lage tarief van 6 naar 7 procent zou ca. 700 miljoen moeten opleveren. Dat is een aanslag op de beurs van ouderen en minima. In 2013 wordt die verhoging elk geval niet gecompenseerd door het verlagen van de eerste schijf belasting;

Nationale ramp ?
Vanuit het oogpunt van een doorsnee gepensioneerde heb ik de besproken maatregelen goed, slecht en twijfelachtig genoemd. Maar omdat de situatie voor iedereen anders zal zijn, hoeft u dat standpunt niet te delen. Niemand zal overigens betwisten dat Nederland op korte termijn iets en liever nog veel moet doen om de crisis aan te pakken. Als Europa ons dwingt de 3 procent-limiet aan te houden voor ons begrotingstekort moet er fors worden bezuinigd. Het Catshuispakket bezuinigt weliswaar fors, maar is te eenzijdig en vermoedelijk onvoldoende effectief. Bovendien zorgen de bezuinigingen ook voor een verhoging van de werkloosheid met bijbehorende uitkeringskosten.
Het zou daarom geen nationale ramp zijn als, in afwachting van nieuwe verkiezingen, sommige maatregelen wat vertraging opliepen. Zeker niet als die vertraging leidt tot een evenwichtig pakket van bezuinigingen, dat kan steunen op een breed maatschappelijk draagvlak.

Wel een ramp, die onze toch al wankele positie in Europa extra verzwakt, is het niet tijdig inleveren van de ‘sluitende’ begroting, die Brussel uiterlijk 30 april van Nederland wil zien. Nederland kan dat niet maken na een groot aantal keren andere landen bezwerend te hebben terechtgewezen. Wie, zoals minister De Jager een aantal keren deed de ‘knoflooklanden’ tot de orde riep, heeft veel krediet verspeeld en moet daarvan de consequenties dragen. Het is mede daarom dringend noodzakelijk dat er weer echt geregeerd gaat worden in plaats van gedoogd. Nieuwe verkiezingen op korte termijn zijn dus nodig.

De Nederlandse Bank en de toekomst van ons pensioen

De Nederlandse Bank (DNB) heeft op 14 maart j.l. haar Statistisch Bulletin gepubliceerd (zie bijlage). Daarin is een opvallende grafiek opgenomen met de gemiddelde dekkingsgraad:

Hieruit blijkt wel dat de technische voorzieningen over ruim 2 jaar enorm fluctueren en dat komt in hoofdzaak door de berekeningsmethode van de rekenrente. Nu heeft minister Kamp toegezegd dat na het uitbrengen in mei van dit jaar van zijn hoofdlijnennota voor het nieuwe pensioencontract hij in overleg met de sociale partners en DNB vooruitlopende op nieuwe wetgeving een andere rekenrentemethode wil vaststellen. Het is afwachten of daar een stabielere rekenrente uitkomt en daarmee een meer realistische ‘nominale’ dekkingsgraad. Volgens het jaarverslag 2011 van DNB zou de ‘reële’ dekkingsgraad, dus inclusief de ambitie tot indexatie van de ‘nominale’ pensioenen, per ultimo 2011 slechts 73% hebben bedragen. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) bepleit in de Volkskrant van 4 april dat dit laatste percentage op het jaarlijkse pensioenoverzicht moet worden vermeld. Maar de mogelijkheid voor herstel met b.v. een verlaging van het opbouwpercentage in het huidige pensioencontract noemt DNB helaas niet; dat is onvolledige voorlichting. Wel wordt verwezen naar het Pensioenakkoord met het voorgestelde onzekere beleggingspensioen.

De verwachtingen van De Nederlandse Bank over het nieuwe pensioencontract

De Nederlandsche Bank is beducht voor de voetangels en klemmen van het collectief ‘invaren’ van bestaande pensioenrechten in een nieuw contract. “Een eenduidig en helder wettelijk kader is nodig voor een diepgaande afweging door alle betrokken partijen van de rechtvaardigheid van zo’n maatregel,” stelt de toezichthouder in zijn jaarverslag over 2011. “Maar zelfs dan zijn juridische procedures niet uit te sluiten met het risico dat zij de noodzakelijke stelselherziening nog lang zullen belasten,” schrijft DNB. Op dit moment bestuderen twee breed samengestelde werkgroepen voor het ministerie van Sociale Zaken de mogelijkheden van zowel collectief als individueel samenbrengen van oude en nieuwe pensioenrechten als uitvloeisel van het pensioenakkoord. DNB is ook een voorstander van een stabiele egalisatiereserve, omdat die zorgt voor een stabieler pensioen én voor een prudente benadering. Wat de toezichthouder betreft kan de buffer gefinancierd worden uit meevallend beleggingsrendement of met extra pensioenpremie, maar wel zouden de regels moeten worden gestandaardiseerd om uniformiteit in het toezicht te krijgen. Wijzigingen in de pensioen- opbouw zoals verlaging van het percentage worden (wederom) niet genoemd.

Om te voorkomen dat pensioenfondsen druk voelen om zo gunstig mogelijk te rekenen, moet de wetgever eenduidige voorschriften geven voor de waarden van de parameters voor rendementen, standaarddeviaties en correlaties, meent DNB. In het hoofdstuk Naar een nieuw toezichtkader voor pensioenfondsen van het jaarverslag 2011 zet DNB haar visie over de toekomst van ons pensioen-stelsel uitgebreid uiteen, maar daarover meer in de volgende nieuwsbrief.

We geven u met plezier een voorproefje uit het nieuwe nummer van ons magazine Pensioenbelangen, ‘Grieken en gepensioneerden zijn perfecte zondebokken‘.

Verder vragen we uw aandacht voor:

Een opmerkelijk initiatief
Via e-mail kreeg de NBP een bericht, dat we hier onder maar integraal hebben overgenomen:

De commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer organiseert donderdagochtend 22 maart 2012 een rondetafelgesprek over het wetsvoorstel Wet versterking bestuur pensioenfondsen. Het rondetafelgesprek is ter voorbereiding op de behandeling van het wetsvoorstel. Na het te organiseren rondetafelgesprek zal de commissie SZW de schriftelijke procedure over het wetsvoorstel starten. Naar verwachting zal een debat over het wetsvoorstel in het tweede of derde kwartaal van dit jaar plaatsvinden. Voorafgaand aan het rondetafelgesprek worden geïnteresseerde partijen opgeroepen om hun mening over het wetsvoorstel kenbaar te maken. “Op initiatief van het CDA is besloten dat iedereen input kan leveren,” verklaarde Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt tegenover IPNederland. “Dit staat nu ook op de voorpagina van de website www.tweedekamer.nl.”

Onze voorzitter Simon van der Schoot heeft daarop onmiddellijk gereageerd en de belangrijkste zaken uit die reactie zijn hieronder puntsgewijze samengevat:

  1. Adequate vertegenwoordiging van alle risicodragers, is het uitgangspunt in de ontwerptekst. Maar waarom kunnen werkgevers in de bestuursmodellen 50% van de zetels bezetten, terwijl alle verdere risico’s worden afgewenteld op de werkenden en de gepensioneerden;
  2. De deelnemers en de pensioengerechtigden zullen met dit wetsvoorstel de adviesrechten meteen verliezen. Vreemd en uiterst kwalijk dat versterking van een bestuur moet worden bewerkstelligd door belanghebbenden monddood te maken
  3. De conclusie dat dit wetsvoorstel m.b.t. governance niet volledig is uitgewerkt, is mij veel te soft. Dit voorstel is onzorgvuldig, houdt geen rekening met alle belanghebbenden en zeker niet op een evenwichtige manier. ( zie ook opmerking 1.)
  4. Art. 100 lid 1b. Bij gemaximeerde werkgeverspremie blijven de werkgevers evenveel zetels bezetten als de weknemersvertegenwoordiging. Dit is ondemocratisch en ook manipulatief. De werkgevers, zeker in VNO-NCW-verband hebben het solidaire pensioenstelsel verlaten en dat MOET gevolgen hebben voor de mate van hun invloed. Het ten koste van alles willen voorkomen dat de werkgevers een minderheid krijgen in de besturen is een onbegrijpelijke gedachtenkronkel.
  5. Art. 100 lid 4. De statuten van een pensioenfonds, meestal ondemocratisch, zeker als het stichtingen betreft hebben onevenredig veel invloed hetgeen tot coöptatiegedrag kan leiden (en de praktijk leert dat het vrijwel zeker daartoe zal leiden).
  6. Art. 100 lid 7. Het bestuur stelt een profielschets op voor (nieuwe) leden van het bestuur. Juist nu er nadrukkelijk wordt gesleuteld (en ernstig getwijfeld) aan de deskundigheid van de (huidige) bestuurders is het uit den boze dat dát de bron gaat vormen voor profielschetsen. Kijk ook hier weer uit voor vriendjespolitiek met aangepaste profielschetsen.
  7. Art. 102 lid 1. Het lijkt alsof dit artikelonderdeel is geschreven om het aangenomen wetsvoorstel van KKB ( en ” architect “NYPELS ) te muilkorven.
  8. Art. 104 lid 7. In de Raad van Toezicht dezelfde waanzin m.b.t. de regie van profielschetsen.
  9. Art. 105 lid 2. Dit artikel buigt zich over de belangen van de werkgevers. Waarom toch? Die belangen zijn beperkt tot een gemaximaliseerde premie. Diezelfde werkgevers willen loonsverhoging ten gevolge van promotie buiten de pensioengrondslag houden. Met die mentaliteit tegenover de medewerkenden die een bedrijf of instelling groot gemaakt hebben, is de geringe affiniteit toch voldoende bewezen?
  10. Art. 115 lid 2 en 3. De tekst van dit artikel is verwarrend. Deelnemers en pensioengerechtigden zijn evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen vertegenwoordigd. Dat kan niet als we ons realiseren dat slechts 5 % van de 3 miljoen gepensioneerden lid zijn van een vakbond.

Tot zover het commentaar van onze voorzitter. Om aan te tonen hoezeer deze Wet vooral een pro werkgeversstandpunt uitdraagt en vooral ook een onjuiste voorstelling van de huidige crisis bij de pensioenfondsen geeft, enkele citaten uit de MEMORIE VAN TOELICHTING.

De financiële crisis in 2008 leidde tot een forse daling van de dekkingsgraden van de meeste pensioenfondsen.” (1. Inleiding) – geen woord dus over de greep uit de kassen van de pensioenfondsen, de terugstortingen (die zogenaamd niet meer te achterhalen zijn) en het jarenlang (in strijd met zowel de oude Pensioen- en Spaarfondsen wet als de Pensioenwet 2007) niet heffen van kostendekkende premies.

Uit dezelfde inleiding van de MVT: “De regering vindt aanpassing van het governancemodel voor pensioenfondsen noodzakelijk om dit vertrouwen te borgen. Dit wetsvoorstel bevat maatregelen gericht op versterking van deskundigheid en het intern toezicht en op een adequate vertegenwoordiging van alle risicodragers binnen de organisatie van het pensioenfonds. Verder worden taken en organen gestroomlijnd”.
De discrepantie tussen deze tekst ’versterking van deskundigheid en intern toezicht’ (zie punt 6 hierboven) en ‘adequate vertegenwoordiging van alle risicodragers’ (zie punt 1 hierboven) en de wettekst zelf is opmerkelijk.

Merkwaardig is ook dat in de MvT het rapport van de Commissie Goudswaard wordt geciteerd en daaruit terecht de juiste conclusie wordt getrokken, maar het eigenlijke wetsvoorstel daarmee in strijd is. De MvT zegt: “Verschuiving risicodragerschap richting deelnemers en pensioengerechtigden Een tweede aanleiding voor de herziening is de verschuiving van het risicodragerschap richting deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden. De Commissie Goudswaard (Commissie Toekomstbestendigheid Aanvullende Pensioenregelingen, 27 januari 2010, Kamerstukken II, 2009/10, 30 413, nr. 139) concludeert dat werknemers en pensioengerechtigden nu al risico’s lopen ten aanzien van hun pensioen-aanspraken en -rechten. In de nieuwe contracten uit hoofde van het pensioenakkoord zullen deze risico’s verder worden geëxpliciteerd. De geleidelijke verschuiving van het risicodragerschap richting deelnemers en pensioengerechtigden kan uiteindelijk niet zonder gevolgen blijven voor de rol van de betreffende partijen in de governance en de medezeggenschap”. En even verder:
Een tweede uitgangspunt voor de herziening van de wettelijke regels over governance en medezeggenschap is dan ook een adequate vertegenwoordiging van alle risicodragers”.
Maar die bewering is weer volledig in tegenspraak met het gestelde onder 1.3 van de MvT (onderstreping onzerzijds – redactie Pensioenbelangen):
In dit voorstel wordt gekozen voor een integrale aanpak van de governance en medezeggenschap. Het onderhavige wetsvoorstel wijkt op enkele punten af van het voorstel van Koser Kaya en Blok, juist vanwege de integrale aanpak en de noodzaak de bestuurbaarheid te garanderen. Zo is in het onderhavige wetsvoorstel het aantal zetels voor pensioengerechtigden gemaximeerd om te voorkomen dat werkgevers in de minderheid kunnen komen. Hier staat tegenover dat de werkgever zijn positie in het verantwoordingsorgaan verliest, omdat dit orgaan wordt opgeheven en de verantwoordingstaken worden overgebracht naar de deelnemers- en pensioengerechtigdenraad. Ook is de raadpleging onder pensioengerechtigden vervangen door een automatische deelname van deze geleding aan het paritaire bestuur. Dit leidt tot een vermindering van administratieve lasten. Verder vervallen de adviesrechten van de deelnemers- en pensioenge-rechtigdenraad. Op het moment dat alle geledingen (werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden) zitting hebben in het bestuur, kan overlap van zeggenschap en medezeggenschap worden opgeheven”.

Zo zijn er nog heel wat meer opmerkelijke zaken, de een wat meer en de ander wat minder belangrijk, maar de tendens blijft steeds: de werkgever moet ondanks het feit dat hij veel minder (soms geen enkel) risico loopt toch wel kunnen blijven meespreken. Een merkwaardig staaltje gedachtenkronkelarij is het volgende:
Hoewel er sprake is van meer risicoverschuiving van de werkgever naar deelnemers en pensioengerechtigden, zijn er voldoende redenen voor betrokkenheid van de werkgever in het bestuur van het pensioenfonds naast deelnemers en pensioengerechtigden. Zo kan de werkgever risico’s tijdens de contractperiode alsnog via een omweg voor zijn rekening krijgen”.
Deze zinsnede is kennelijk ingegeven doordat sommige werkgevers risico’s ontliepen (door de bestuurders van het pensioenfonds geaccordeerd) maar later toch door de rechter werden veroordeeld om alsnog mee te delen in die financiële risico’s. Vermoedelijk heeft minister Kamp gedacht dat dan nu maar wettelijk moet worden geregeld dat die onafhankelijke rechter niet te zeer in het nadeel van de werkgever oordeelt. Daarmee voorkomen we dus dat die arme werkgever alsnog die risico’s moet dragen.
Dus wordt nu eventjes per wet geregeld dat de onafhankelijke rechter (toch een van de drie pijlers van onze rechtsstaat) wordt ontmand. De rechterlijke macht wordt door Kamp tot rechterlijke ONmacht gedegradeerd.

Het persbericht van de Pensioen Federatie evenals het overzicht van pensioenfondsen die gaan korten, beiden gepubliceerd op 20 februari 2012. Kijk in het overzicht of uw pensioen wordt bedreigd. Zo ja, schrijf desgewenst een brief aan dat pensioenfonds dat u een korting op uw nominale pensioen niet kan accepteren en stel het pensioenfonds evenals haar bestuur in gebreke voor de wanprestatie die wordt geleverd op basis van de pensioenuitkeringsovereenkomst. En dat u heeft geconstateerd dat niet alle middelen door het bestuur zijn aangewend om het laatste redmiddel van het korten te voorkomen. Want het bestuur heeft nog diverse ongebruikte aanpassingen binnen de bestaande wettelijke regeling als mogelijkheid om de dekkingsgraad weer in orde te krijgen. Het bestuur van het pensioenfonds heeft die wijzingen tot dusverre niet of onvoldoende uitgevoerd (zie de genoemde mogelijkheden voor aanpassing in het persbericht van De Nederlandse Bank van 20 februari 2012) en dat die aanpassingen nu wel in 2013 moeten gebeuren. Uit dit persbericht blijkt ook dat het om circa 7,5 miljoen pensioenuitkeringsovereenkomsten gaat!

Daarnaast heeft Stichting Pensioenbehoud de petitie Ik wil niet gekort worden op mijn pensioen opgenomen op de website http://pensioenbehoud.petities.nl om te laten ondertekenen door een ieder die deze boodschap aan de politiek wil ondersteunen. De petitie zal over enige tijd officieel worden aangeboden aan minister Kamp van SZW. U wordt verzocht om ook de petitie onder de aandacht van familie, vrienden en bekenden te brengen. Heeft u de petitie zelf al ondertekend?

Van alle kanten werd en wordt er aan onze pensioenrechten gerommeld. Eerst werd de onvoorwaardelijke indexering sluipenderwijs omgezet in een voorwaardelijke indexering. Vrijwel niemand viel het op want de dekkingsgraden waren hoog. Vervolgens werden de “riante” dekkingsgraden “verjubeld” door niet afdragen van premies (ABP), het teruggeven van “overschotten” aan de werkgevers, waar soms wel, maar vaak ook niet, een “bijstortverplichting” tegenover stond. En gedurende jaren werden kostendekkende premies (vereist volgens Pensioenwet 2007 art. 116) niet berekend, waardoor de duurzaamheid van het pensioenfonds werd aangetast. Tenslotte werd er ook nog eens driftig op de beurs gespeculeerd, waardoor – ondanks de aanvankelijke successen – de pensioenfondsen extra kwetsbaar werden. De eerste waarschuwing kwam in de jaren 2000-2002 toen de ICT-zeepbel barstte en sommige pensioenfondsen al helemaal of ten dele niet indexeerden. Maar er gebeurde niets mee.

De toezichthouders (De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten) zagen niet toe maar keken slechts toe. Wel was DNB er als de kippen bij om de autoverzekeraars er op te wijzen dat hun premies niet kostendekkend waren en dat die aangepast moesten worden. Maar de pensioenfondsen kregen pas een waarschuwing toen het te laat was en hun dekkingsgraad onder het minimum van 105 procent was gedaald.

Er werd te laat en te zacht ingegrepen en zo werd de kans gemist om de buffers weer wat op te krikken in de relatief gunstige periode 2004 – 2008. In 2008 kondigde de financiële crisis zich aan en sinds 2009 woedt deze zo hevig, dat nu ongeveer de helft van de pensioenfondsen in de problemen zit en een aantal, waaronder ook de vijf grotere op termijn moeten gaan afstempelen. PFZW ontspringt waarschijnlijk de dans en het ABP denkt de afstempeling tot slechts ½ procent te kunnen beperken. Maar de metaalfondsen PME en PMT korten vermoedelijk met 6 of 7 procent (het maximum dat de DNB heeft ingesteld). En die korting komt nog bovenop de al ruim 8 procent die veel gepensioneerden door het niet indexeren tussen 2002 en nu al hebben ingeleverd. Dat is samen al bijna 4 maanden aan gemiste pensioenuitkering.