Het al dan niet geïndexeerd zijn van de opgebouwde pensioenrechten, maakt een groot verschil voor de hoogte van het uiteindelijke pensioen.

Indexatie van pensioen is niet alleen van belang voor ingegane pensioenen. Ook als u een nog niet ingegaan pensioen hebt, maar dus wel pensioenrechten hebt opgebouwd, speelt deze indexatie. Bij een goede middelloonregeling wordt het opgebouwde pensioen namelijk meestal wèl geïndexeerd. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat ongeveer een derde van alle pensioenregelingen überhaupt geen indexatietoezeggingen kent. Niet in de opbouwfase, maar ook niet in de uitkeringsfase. Tja, dat is dan een mager pensioen. Toch goed om even te checken hoe dat bij uw pensioenregeling is.

Het is natuurlijk wel zo dat als u geen geïndexeerd pensioen hebt, u en uw werkgever daar ook niet voor betalen. Alles heeft immers z’n prijs, vooral ook een geïndexeerd pensioen. Let daarom goed op uw indexatielabel dit jaar. Daarin wordt precies aangegeven hoe uw toezegging luidt èn hoe groot de kans is dat dit daadwerkelijk betaald kan worden. Dit label is overigens niet verplicht vanaf 1 januari, maar vanaf 1 april 2009.

(HFD, 10-1-09, mr Theo Gommer, pensioenadvocaat)

De Nederlandse Vereniging van Organisaties van Gepensioneerden (NVOG), die bijna 100.000 pensioengerechtigden vertegenwoordigt, maakt zich ernstig zorgen over de gevolgen van de financiële crisis voor de pensioenen.

Door de instorting van de aandelenmarkt is de vermogenspositie van de pensioenfondsen ernstig verzwakt en dreigt de koopkracht van gepensioneerden flink aangetast te worden door geen of te lage indexaties, de jaarlijkse aanpassingen van de pensioenen aan de prijsontwikkeling. Deze indexaties zijn in de periode 2002-2007 al aanzienlijk achtergebleven. Een achterstand die nu nog sterk vergroot dreigt te worden.

Maatregelen van de overheid zijn nodig om verder achterblijven van de koopkracht te voorkomen, zo maakten vertegenwoordigers van de aangesloten organisaties vandaag tijdens een bijeenkomst van de NVOG duidelijk.

De NVOG dringt aan op spoedig overleg met de betrokken bewindslieden over deze pensioenproblematiek.

Drs. H. Kemner, voorzitter NVOG

De NBP (Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen ) acht het gewenst dat pensioenfondsen de gemiddelde dekkingsgraad over een geheel jaar (12 maanden) als uitgangspunt dienen te nemen voor een betrouwbaar indexatiebeleid.
Het ABP als één van de grootste en betrouwbaarste pensioenfondsen in Nederland gaat uit van de peildatum ’1 november’ terwijl elke solide belegger weet dat aandelen in het laatste kwartaal van enig jaar (doorgaans) een terugslag kennen in het rendement. Overigens de meeste pensioenfondsen houden helaas ’1 november’ als peildatum aan. De NBP acht dit onjuist en is de mening toegedaan dat bijstelling van beleid door de besturen van de Pensioenfondsen dient plaats te vinden.
Ook gepensioneerden hebben recht op behoud van koopkracht.

Harm Woudstra, voorzitter NBP

Hoewel de taakverdeling tussen de beide toezichthouders AFM en DNB niet altijd duidelijk is, is aan te nemen dat de AFM vooral toeziet op het naleven van wetten en regels waaraan financiële instellingen zich hebben te houden, terwijl DNB belast is met het Financieel Toezichtkader (FTK) en daarbij nadere eisen kan stellen aan instellingen als pensioenfondsen. Wij menen dat het DNB in die taak ernstig tekortschiet en zullen dat hieronder nader preciseren. Het gaat om de volgende zaken:

Bezwaren tegen toezichthouder DNB
1. Biedt onvoldoende inzicht in wat zij doet
2. Beschermt instellingen als pensioenfondsen
3. Herstelplannen benadelen gepensioneerden en slapers onevenredig
4. Houdt zich niet aan de wet

Ad 1. Transparantie ver te zoeken
a. Een delegatie van de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen (NBP) die in 2007 drie gesprekken had met DNB/PVK kreeg, als antwoord op de klachten over het pensioenfonds van een aantal leden van de bond, te horen dat men er “iets” mee ging doen maar … men mocht niet vertellen wat men er mee zou gaan doen”. Ook werd niet gezegd of en wanneer de delegatie er nog iets over zou horen.
b. De website is onvoldoende transparant wat betreft de mogelijkheden om bij DNB klachten in te dienen over een pensioenfonds of andere pensioeninstelling
c. Er is weinig tot niets bekend over het sanctiebeleid en de sanctiemogelijkheden van DNB

Ad 2. Financiële instellingen worden beschermd
a. Terecht is DNB terughoudend met het aan de schandpaal nagelen van financiële instellingen. Men kan daarmee echter te ver gaan en zo een van de belangrijkste taken – bescherming van het publiek – vergeten. Wij hoeven slechts te wijzen op affaires als Van der Hoop, Texeira de Mattos en andere deconfitures om duidelijk te maken hoezeer het dan fout kan gaan.
b. Hoewel sommige pensioenfondsen, qua dekkingsgraad bijvoorbeeld, zo slecht presteren dat DNB een herstelplan eist, is niet bekend of en in welke mate een dergelijk herstelplan wordt gerealiseerd. Het blijkt dat een aantal pensioenfondsen nog steeds een te lage dekkingsgraad heeft, terwijl de vermeende beurscrisis van 2001-2002, die van de slechte prestaties de schuld kreeg, al zes jaar achter ons ligt.
c. Bij pensioenfondsen met blijvende problemen wordt, voorzover ons bekend, niet ingegrepen. Integendeel de directies mogen aanblijven en ook de samenstelling van de fondsbesturen verandert niet of nauwelijks. Ook directiesalarissen boven de Balkenende-norm worden getolereerd.

Ad 3. Herstelplannen benadelen slapers en gepensioneerden
a. Herstelplannen gaan terecht uit van de lange termijn en in dat opzicht is de termijn van 15 jaar voor een herstelplan correct. Daarbij vergeet men echter dat veel belanghebbenden bij pensioenfondsen, met name de gepensioneerden, een kortere tijdshorizon hebben dan 15 jaar. Van de 65-jarigen haalt bijna de helft de 80-jarige leeftijd niet. Als, gebaseerd op het herstelplan, volledige indexatie niet wordt toegestaan, betekent het uniform aanhouden van die termijn dat veel gepensioneerden ernstige financiële schade oplopen, vooral ook omdat niet-indexatie cumulerend werkt.
b. Aan inhaalindexatie wordt door pensioenfondsen meestal een beperkte invulling gegeven. Als er in 2003 geen inflatiecorrectie werd gegeven van (zeg) 2% en in 2004 en 2005 ook niet, dan betekent dat een achterstand van 2+4+6 = 12% van de jaarlijkse pensioenuitkering. Als dan in 2006 weer volledig geïndexeerd wordt, blijft nabetaling van die 12% uit. Zou men dat wel doen, aldus de redenering van de meeste pensioenfondsen, dan zou de indexatie niet langer “voorwaardelijk” zijn maar “onvoorwaardelijk” worden en dan zou DNB ingrijpen. Een dergelijke motivering gaf dhr. Sluimers, toenmalig voorzitter van de bestuursraad ABP op het Rendez Vous van ABP en NBP in november 2007. Ook bij andere pensioenfondsen krijgt men een dergelijke “verklaring” te horen.
c. Hoewel het heffen van kostendekkende premies bij lage dekkingsgraden is voorgeschreven, blijkt in de praktijk dat na enkele jaren een hogere premie te hebben geheven ook pensioenfondsen met een lopend dekkingsplan snel overgaan tot verlaging van de premiepercentages. Werkgevers en werknemers (vakbonden) profiteren van lage pensioenpremies; die vergroten de loonruimte en kosten in eerste instantie niets. Op langere termijn kosten ze de werknemers veel geld en keert het korte termijndenken van de vakbonden zich tegen hen. Voor gepensioneerden, die in het verleden toch al veel hogere premies betaalden, kunnen niet kostendekkende pensioenpremies een ramp zijn. Het pensioenvermogen wordt kunstmatig te laag gehouden en elk jaar wordt over de gederfde premie ook nog eens het beleggingsrendement misgelopen. Wij vinden dat bij dekkingsgraden onder de 140 geen premievermindering mag plaatsvinden, zelfs niet als er al volledig wordt geïndexeerd. Het is namelijk voor alle partijen van het grootste belang dat het pensioenfonds behoorlijke buffers opbouwt. Het jongste verleden heeft geleerd dat zelfs dekkingsgraden boven de 140 onvoldoende kunnen zijn.
d. Tot voor kort werd alom een rekenrente van 4% gehanteerd. Pensioenverplichtingen werden daarop gebaseerd en zo werden grote schommelingen in de pensioenverplichtingen vermeden. DNB gaat nu uit van een “marktgerichte” rekenrente. Alleen al op basis van de externe rentestand, zijn daardoor grote schommelingen in de pensioenverplichtingen mogelijk. Op zichzelf redelijke rentepercentages tussen 3,2% en 4,85% leiden daardoor tot grote verschillen in zowel berekende pensioenverplichtingen als in dekkingsgraden. De nu gehanteerde 4,85% leidt tot overschatting van de dekkingsgraad en daarmee dus ook van de buffers. Daardoor gaat men veel te snel over tot het heffen van lagere pensioenpremies. Bovendien wordt vergelijking met andere pensioenfondsen en ook vergelijking in de tijd door een steeds wisselende rekenrente bemoeilijkt.
Voor inkomsten Box 3 rekent de fiscus al jaren met een fictief vermogensrendement van 4%, ondanks de vaak terechte bezwaren tegen deze fictie. Het is zeer goed verdedigbaar ook voor pensioenverplichtingen een vaste (fictieve) rekenrente van 3 à 4 procent te hanteren.
e. Wettelijk gezien is risicovol beleggen niet geoorloofd voor dat deel van het pensioenvermogen dat voor gepensioneerden is bestemd. Anderzijds mag men ook niet risicovrij beleggen voor die delen van het pensioenvermogen die op jeugdige werknemers betrekking hebben. Wij denken dat vooral hierop moet worden gelet bij het goedkeuren van herstelplannen door DNB. Wij denken dat DNB voor de verschillende cohorten ook verschillende eisen moet stellen.
f. Een verdere consequentie van het cohortenprincipe is dat wederopbouw van de buffers als eerste bij de oudste cohorten moet plaatsvinden. Dat impliceert dat jongere cohorten door hogere pensioenpremies te betalen extra bijdragen aan de pensioenen van ouderen. Dit verschijnsel heet solidariteit van jong naar oud.
In het recente verleden hebben jongeren veelal (te) lage premies betaald. Dat kon omdat het rendement op de vooral door ouderen opgebouwde pensioenvermogens meer dan 8% bedroeg terwijl slechts ca. 6% nodig waren voor het volledig indexeren van alle pensioenverplichtingen. Dat was dus solidariteit van oud naar jong.
Zelfs de vakbonden, die het begrip “SOLIDARITEIT” altijd met hoofdletters plegen te schrijven, kunnen niet tegen zijn – tenzij zij hun principes willen verloochenen.
Solidariteit is geen eenrichtingsverkeer. Het is ook niet onredelijk ingegane pensioenen te blijven indiceren of eerder volledige herindexatie toe te passen. Bij het oudste cohort is de herstelperiode heel kort, voor sommigen zelfs nihil. Voor de 60-jarigen is de herstelperiode (tot aan de normale pensioenleeftijd) al vijf jaar en voor jongeren zijn de termijnen evenredig langer.

Ad 4. DNB overtreedt de wet
In de vroegere Pensioen en Spaarwet (artikel 5 lid 4) en ook in de huidige Pensioenwet (artikel 94 lid 2) staat: De personen die het beleid van een pensioenfonds bepalen of mede bepalen richten zich bij de vervulling van hun taak naar de belangen van de bij het betrokken pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever dan wel werkgevers en zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.
Er staat in deze tekst heel duidelijk mede bepalen en dat impliceert dat zodra DNB een herstelplan goedkeurt DNB mede het beleid van het pensioenfonds bepaalt. DNB is dus niet alleen moreel maar ook wettelijk verplicht rekening te houden met de belangen van pensioengerechtigden en gewezen deelnemers. Het gaat daarbij niet alleen om objectief vast te stellen zaken maar ook om subjectieve zaken. De wet stelt immers “en zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen“. De wetgever heeft kennelijk bedoeld dat elke schijn van partijdigheid moet worden vermeden.
Conclusie: Als een pensioenfonds kiest voor vermindering of stoppen van de indexatie en daarbij niet de premies verhoogt tot minimaal een kostendekkend niveau, schendt dat fonds (en ook DNB indien die het herstelplan goedkeurt) de wet. De lusten en de lasten worden dan niet evenredig verdeeld.

Slot
Wij geloven in het voorgaande duidelijk te hebben aangetoond dat DNB een van haar belangrijke taken “bescherming van het publiek – in dit geval vooral de gepensioneerden” ernstig heeft verwaarloosd.

Soest: P.Chr. de Wind (lid NBP)
Santpoort: drs. J.L. van Vliet (lid NBP)

Interview met directeur vermogensbeheer APG (ABP), Roderick Munsters. Met de oplopende inflatie wordt het kostbaarder om de koopkracht van pensioen te behouden. Wat gaat u daaraan doen?
‘Bij ABP staat de ambitie voorop om reële pensioenen uit te keren. Dat is ons tot nu toe altijd gelukt. De afgelopen jaren hebben wij een beleid ingezet waarbij we meer beleggen in zaken waarvan we denken dat deze op de lange termijn rendementen geven die minstens zo hoog zijn als de werkelijke inflatie. We gaan dit komende tijd verder doorzetten. Wat gaat u dan nu doen? ‘Op dit moment ontvangen wij op 60% van onze beleggingen een vergoeding waarvan de opbrengsten naar de inflatie op lange termijn ruimschoots verslaan. Te denken valt aan vastgoed en aandelen. Op 40% van onze beleggingen krijgen wij echter een nominale vergoeding, zoals op staatsleningen die een vaste couponrente geven. Dit soort producten biedt dus geen goede bescherming tegen de oplopende inflatie. Het percentage nominale beleggingen willen wij de komende tijd daarom verder omlaag brengen om ons zo op lange termijn beter tegen inflatie in te dekken.

De Nederlandse pensioenfondsen zitten op alle mogelijke manieren in de knel.
Hun vermogen smelt als sneeuw voor de zon. Het uitkeren van pensioenen wordt door de snel oplopende inflatie tegelijk steeds duurder. Van de bijna 700 mrd. euro die de, toevallig, 700 pensioenfondsen eind vorig jaar aan vermogen bezaten, is alleen al door de beursval 50 mrd. euro verdwenen.
Volgens berekeningen van pensioenconsultant Mercer, die op dagbasis de cijfers van 94 grote klanten bijhoudt, hadden de Nederlandse fondsen eind juni een dekkingsgraad van 124,5%. Dat betekent dat ze 22% meer vermogen bezitten dan gepensioneerden en sparende werknemers aan uitkeringsrechten kunnen claimen. Een jaar geleden was de dekking nog 147%. Het plaatje ziet er minder florissant uit als de nominale pensioenrechten worden vertaald in reële pensioenrechten, dus als deze worden opgehoogd met het bedrag dat moet worden betaald als er ieder jaar wél inflatie op de pensioenuitkeringen wordt betaald. In dat geval zakt de dekkingsgraad naar 79%. Oftewel de Nederlandse pensioenfondsen komen zo’n 150 mrd. euro tekort.

Brief aan Minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Ontwikkeling indexatielabel dd. 12-10-2007:

Zeer geachte heer Donner,
Onze bond onderhoudt met enige regelmaat contact met leden van de Tweede Kamer om zijn opvattingen over aangelegenheden op het terrein van de pensioenen kenbaar te maken. In 2006 heeft de NBP in één van de gesprekken het idee gelanceerd om een indexatielabel voor pensioenfondsen in te voeren. Deze gedachte vond steun bij parlementsleden, hetgeen daarna werd vertaald in een besluit van de Tweede Kamer een zodanig label in te voeren.
Na de besluitvorming heeft de NBP middels persberichten zomede in gesprekken met kamerleden en tijdens de honderddagentour met verschillende leden van het kabinet te kennen gegeven gaarne bij de ontwikkeling van het indexatielabel betrokken te worden. Deze wens is herhaald in het contact, dat de eerste ondertekenaar op 2 juni 2007 tijdens het CDA-partijcongres met u had. Tot dusverre heeft een uitnodiging tot participatie in de voorbereidingen de NBP echter niet bereikt. Inmiddels is ons gebleken, dat er al geruime tijd een breed samengestelde werkgroep onder leiding van uw ministerie bezig is met de ontwikkeling van het indexatielabel.
Het komt ons voor, dat onze afzijdigheid van de werkgroep waarschijnlijk niet in uw bedoeling heeft gelegen. De NBP vindt voor deze gedachte steun in uitspraken van het Tweede Kamerlid Blok. Hij meldde ons recent – na een ontmoeting waarin wij betreurden niet aan de werkgroep te kunnen deelnemen – met u contact te hebben gezocht en vervolgens meende te mogen constateren, dat u er vanuit ging dat de NBP wel in de werkgroep was vertegenwoordigd.
Indien voornoemde gegevens op een correcte weergave kunnen bogen, lijkt de vaststelling gerechtvaardigd, dat er onbedoeld iets mis is gegaan. In dat geval verzoeken wij u het daarheen te leiden, dat de NBP alsnog kan gaan deelnemen aan de activiteiten van de werkgroep.
Hopend op een positief besluit verblijven wij met de meeste hoogachting.

Algemene reactie van de minister:
Het indexatielabel zal per 1 juli 2008 in de Regeling Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden vastgelegd. Vanaf 1 januari 2009 is opname van het label in het UPO (Uniform pensioenoverzicht) verplicht in alle gevallen waarin sprake kan zijn van een toeslagbeleid. In 2011 zal er een evaluatie plaatsvinden.

In het rapport ‘Naar een modern en betaalbaar pensioen’ van VNO-NCW komen de gepensioneerden er bekaaid vanaf. De Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen heeft waardering voor het feit dat VNO-NCW en de daarmee verwante organisaties een serieus rapport hebben geschreven over de toekomst van de pensioenvoorzieningen in ons land. Maar de centrale invalshoek van het rapport is wel erg sterk bepaald door de wil om de loonkostensom te drukken. Opvallend is ook dat werkgevers nog steeds een blinde vlek hebben voor een zeer grote groep belanghebbenden; de gepensioneerden. In het rapport komen zij nauwelijks voor.

Om te laten zien dat de kosten van de pensioenpremies de pan uit rijzen, vergelijken de werkgeversorganisaties de afdracht van pensioenpremies tussen 1998 tot 2004. De premies zijn in die periode meer dan verdubbeld. Maar VNO-NCW vergeet er bij te vertellen dat de werkgevers, in eendrachtige samenwerking met de vakbonden, in het laatste decennium van de vorige eeuw de afdracht van premies op een onverantwoorde wijze hebben gedrukt. Dit leidde bij de beurscrisis aan het begin van deze eeuw tot problemen bij de pensioenfondsen. Hiervan werden vervolgens de gepensioneerden de dupe.

In de loop van de afgelopen jaren zijn al veel van de wensen van de werkgevers gehonoreerd: de overgang van het eindloonstelsel naar het middelloonsysteem en het langer doorwerken richting 65 jaar. Toch wordt juist dit laatste punt aangegrepen om aan te tonen dat door dit langer doorwerken de pensioenen z� goed worden, dat het best wat minder kan. Ook de indexatielabel die er dit jaar gaat komen, ligt nu onder vuur bij de werkgevers. Door deze indexatielabel kan elke belanghebbende zien hoe zijn pensioenfonds presteert, maar deze transparantie is voor de werkgevers kennelijk niet nodig.

De convenanten over pensioenen die zijn ondertekend door de samenwerkende ouderenbonden worden door de werkgevers succesvol genoemd. Veel gepensioneerden ervaren deze convenanten echter meer als van boven opgelegd dan als vruchten van overleg. Volgens de NBP is de uitvoering van deze convenanten bovendien beneden alle peil.

In het rapport krijgt de politiek het verwijt dat men in deze kringen een gebrek aan historisch besef heeft. Maar bij VNO-NCW heeft men zelf ook een gebrek aan historisch besef als men er voor pleit om de AOW-uitkeringen geheel te fiscaliseren. De werkende generaties hebben in de afgelopen vijftig jaar uit solidariteit via het omslagstelsel de AOW betaald voor de gepensioneerden. Waarom moet deze financiering nu ineens op de schroothoop? De gepensioneerden van nu moeten er op kunnen vertrouwen dat hun AOW zo lang mogelijk op solidaire wijze wordt gefinancierd.

Onbespreekbaar is voor de NBP de aantasting van het beginsel van indexatie. Natuurlijk kunnen er geen garanties voor de eeuwigheid worden gegeven maar om al bij voorbaat te accepteren dat gepensioneerden in de loop van de tijd aanzienlijk aan koopkracht verliezen is de bijl aan de wortel van het systeem.

Klap op de vuurpijl is de wens van de werkgevers om van alle risico’s af te komen die zij eventueel lopen bij de pensioenfondsen. Als zij daar in slagen hebben zij namens de NBP ook niets meer te zoeken in de besturen van de pensioenfondsen.

Vrijwel alle kabinetten, ongeacht de kleur, hebben zich schuldig gemaakt aan het gegoochel met AOW-gelden. Daarbij heeft men zorgvuldig de waan in stand gehouden dat vooral de jongeren de AOW van “gefortuneerde” ouderen zouden betalen. Dat is onjuist. Ongeveer 4/5 van de AOW-uitkeringen worden betaald uit de omslagpremie, terwijl 1/5 is “gefiscaliseerd” en uit de algemene middelen – dus de belastingopbrengsten – komt.
De Algemene Rekenkamer heeft gelijk met haar constatering dat het Rijk de AOW-miljarden ondoelmatig rondpompt. De Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen heeft zich al vele malen uitgesproken tegen het gesjoemel met het AOW-fonds dat door verschillende ministers van Financiën is misbruikt, bijvoorbeeld om begrotingstekorten kleiner voor te stellen dan ze in werkelijkheid waren. Dat komt vooral omdat het AOW-fonds geen echt fonds is. Het is weliswaar opgezet als spaarpotje om de AOW tot 2040 te kunnen garanderen, maar echt geld is er nooit in gestort.

De aanbeveling van de Algemene Rekenkamer om de AOW-premie fors te verlagen, wijst de NBP krachtig af. Opvolgen van die aanbeveling zou immers betekenen dat het aandeel van de “fiscalisering” in de AOW zal stijgen tot wellicht 40% waardoor alle belastingbetalers meer moeten betalen. Ouderen met aanvullende pensioenen hebben in de afgelopen jaren, doordat de indexatie van hun pensioenen sterk achterbleef bij de inflatie, al genoeg moeten inleveren. Over een deel van hun aanvullend pensioen betalen de meesten al 42 procent belasting en sommigen zelfs 52 procent.
De excessieve stijging van de provinciale, gemeentelijke en waterschapsbelastingen heeft ouderen veel zwaarder getroffen dan de doorsnee ingezetenen. Want ook de bijdrage voor de Zvw stijgt. Over het aanvullend pensioen moeten ouderen in plaats van 4,4% in 2007 nu (2008) 5,1% betalen. Ook over de AOW moet 0,7 procent meer aan Zvw worden betaald. Die stijging is echter algemeen maar werkenden onder de 65 krijgen die stijging door de werkgever gecompenseerd.
Wat de Algemene Rekenkamer nu wil is de ouderen met een aanvullend pensioen extra straffen voor hun eerdere spaarzaamheid.

De Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen (NBP), gevestigd te Den Haag, Scheveningseweg 7, 2517 KS, nam kennis van de initiatieven van Kamerleden van CDA, PvdA en SP die moeten leiden tot een hoorzitting inzake eigendom van pensioengelden. De NBP betuigt zijn erkentelijkheid inzake vorenbedoelde initiatieven. De NBP zou gaarne bij deze hoorzitting willen worden betrokken. De Tweede Kamer wordt dan ook verzocht het daarheen te doen leiden dat de NBP hiertoe wordt uitgenodigd.

Nagekomen bericht
Naar aanleiding van de (mogelijke) hoorzitting ‘eigendom van pensioengelden’ deelt het NBP-bestuur mee, dat haar verzoek is geregistreerd onder nummer 2e Kamer 92065, d.d. 12-12-’07. Een en ander is inmiddels doorgeleid naar de Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Realisatie moet nog in de Tweede Kamer worden behandeld, die nader moet beoordelen of hetgeen in de commissie aan de orde is geweest doorgang gaat vinden. Overigens kan dit nog wel enige maanden duren.